0111 - Is finale kwijting wel zo finaal?

0111 - Is finale kwijting wel zo finaal?

28februari2018

 

Finale kwijting

In het arbeidsrecht worden veel arbeidsovereenkomsten in onderling overleg beëindigd. De gemaakte afspraken over bijvoorbeeld de einddatum, een vergoeding en kosten van juridische bijstand worden dan vastgelegd in een beëindigingsovereenkomst. In veel gevallen is dat tevens een vaststellingsovereenkomst. Waar de beëindigingsovereenkomst in de wet niet als zodanig wordt genoemd, is de vaststellingsovereenkomst wel wettelijk geregeld.

In artikel 7:900 BW en verder is het juridisch kader van de vaststellingsovereenkomst vastgelegd. Hieruit volgt dat een vaststellingsovereenkomst tot doel heeft om partijen te binden ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of van een geschil. In het arbeidsrecht is dat een geschil over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Om er zeker van te zijn dat tussen partijen over en weer geen claims meer kunnen worden neergelegd is het raadzaam om in de vaststellingsovereenkomst een finale kwijting op te nemen. In de finale kwijting neem je op dat partijen na uitvoering van de vaststellingsovereenkomst verklaren niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Gerechtshof Den Bosch

Als je een finale kwijting hebt opgenomen in de vaststellingovereenkomst dan is alles geregeld en verwacht je verder dus als werkgever geen claims meer van de betreffende werknemer.
Dat dat ook anders kan zijn blijkt wel uit een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[1].

Feiten

In deze zaak was de werknemer na een uitzendperiode van bijna twee jaar in 1992 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de werkgever in de functie van secretaresse. Ruim een jaar na indiensttreding, dus in 1993, heeft de werkgever via een memo aan al haar werknemers een pensioenvoorziening aangeboden. In dat memo heeft de werkgever opgenomen dat zij uit een aantal offertes een offerte van een specifieke verzekeraar heeft gekozen.

Daarbij wordt door de werkgever ook aangegeven dat het een collectief pensioen betreft waarbij uitgangspunt is dat 70% van het huidige bruto loon de grondslag vormt en dat voor de pensioenuitkering is uitgegaan van het voortzetten van de werkzaamheden tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Ongeveer twee jaar nadat voornoemd memo is verstuurd (oftewel in 1995) ontvangt de werknemer een brief van de kantoordirecteur van de werkgever waarin staat vermeld dat er sprake zou kunnen zijn van een misverstand over het karakter van de pensioenregeling. In die brief staat vermeld dat voor alle duidelijkheid wordt bevestigd dat een pensioenregeling is afgesloten op basis van een gemiddeld loon en niet op basis van een eindloon.

In 2001, dus zes jaar later, ontvangt de werknemer een brief van de verzekeringstussenpersoon van werkgever. In die brief staat onder meer dat de opgebouwde pensioenaanspraken zijn gebaseerd op een eindloonregeling en dat dit inhoudt dat de polissen ieder jaar worden aangepast aan het salaris van de werknemer.

Datzelfde jaar ontvangt de werknemer opnieuw een brief van de verzekeringstussenpersoon van de werkgever. In tegenstelling tot de eerdere brief in 2001, staat hier in dat de pensioenverzekering is aangepast aan het pensioengevend salaris over 2000. De verzekeringstussenpersoon stelt dat de oorspronkelijk toezegging was gebaseerd op een middelloonregeling, maar dat de regeling ten onrechte is uitgevoerd als een eindloonregeling. Als gevolg hiervan heeft de verzekeraar een herberekening gemaakt.

Aan alle onduidelijkheid voor de werknemer was nog geen einde gekomen want in 2006 ontvangt de werknemer een intern memo waarin de werkgever verwijst de werkgever naar een nieuw pensioenreglement met addendum wat als bijlage bij het memo aan werknemer wordt toegezonden. Dit betreft een voortzetting van de middelloonregeling bij een andere verzekeraar, aldus de werkgever. Aan de werknemer wordt gevraagd om de bijgesloten ontvangstverklaring te ondertekenen en terug te sturen. In de ontvangstverklaring staat dat de werknemer verklaart een exemplaar te hebben ontvangen van het op 1 juni 20014 in werking getreden pensioenreglement volgens het Flexibel Index Pensioen van de nieuwe verzekeraar, dat de werknemer verklaart kennis te hebben genomen van de inhoud hiervan, dat de werknemer er meer akkoord gaat en dat de daarin opgenomen bepalingen zullen worden nageleefd.

In 2011 sluiten de werkgever en werknemer een vaststellingsovereenkomst waarin de voorwaarden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden vastgelegd. Voordat deze vaststellingsovereenkomst wordt gesloten wordt er onderhandeld tussen partijen. De werknemer wordt hierbij bijgestaan door de gemachtigde. Deze gemachtigde stelt een aantal voorwaarden waar onder dat met uitzondering van de verplichtingen van werkgever voorvloeiende uit de pensioenregeling voor werknemer partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Daarbij wordt door de gemachtigde opgemerkt dat voor wat betreft de pensioenregeling onderzoek wordt gedaan door een onafhankelijke pensioenconsultent naar de vaststelling van de pensioenverplichtingen en of het door werkgever geboden bedragen voor compensatie toereikend is. De gemachtigde stelt daarbij dat het onderwerp pensioen uitgezonderd moet worden van de finale kwijting. Daarna wordt in de onderhandelingen niet meer gerept over pensioen en sluiten partijen de vaststellingsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst zelf is wel een artikel over pensioen opgenomen dat (i) de werknemer aan de pensioenvoorziening kan blijven deelnemen tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd en dat de werkgever maandelijks de pensioenbijdrage zal blijven voldoen; (ii) dat de werknemer een aanvulling krijgt van haar inkomen na einde dienstverband; en (iii) dat de werknemersbijdrage voor de premies ten behoeve van de voortgezette pensioenregeling in mindering strekt op de loonaanvulling. Verder zijn de volgende bepalingen opgenomen in de vaststellingsovereenkomst.

(…)

  1. Overig

(…)

Door ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst verklaart de Werkneemster met betrekking tot de totstandkoming en de arbeids-, sociaalverzekerings- en fiscaalrechtelijke gevolgen van onderhavige vaststellingsovereenkomst, deskundige bijstand, alsook voldoende tijd ter overweging van een en ander te hebben genoten. Na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst door de Werkneemster kan zij dan ook geen beroep meer doen op enig wilsgebrek.

  1. Finale kwijting

Met deze vaststellingsovereenkomst hebben partijen een uitputtende allesomvattende regeling getroffen. Na voldoening van vorenstaande verplichtingen zullen partijen jegens elkaar dan ook geen verdergaande verplichtingen meer hebben uit hoofde van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst, de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst, bonus en/of winstregeling, pensioenvoorziening of uit welke andere hoofde dan ook en verlenen partijen elkaar finale kwijting.

Procedure

Na verloop van tijd start de werknemer een procedure waarin zij de rechter vraagt om te verklaren dat aan haar een pensioen op basis van een eindloonregeling is toegezegd door haar voormalig werkgever. Ook vordert betaling door de werkgever van bedragen die benodigd zijn om de pensioenaanspraken alsnog te kunnen aankopen. De werkgever is het hier niet mee eens en voert in diens verweer aan dat geen eindloonregeling is toegezegd en doet een beroep op het finale kwijtingsbeding wat is opgenomen in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter heeft het beroep van de werkgever op het kwijtingsbeding verworpen, waarna de werkgever in hoger beroep gaat. In hoger beroep komt het Gerechtshof tot hetzelfde oordeel. Als motivering geeft het Gerechtshof dat het in het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen kwijtingsbeding een niet op enigerlei specifieke wijze omschreven finale kwijting wordt verleend ter zake “pensioenvoorziening”. In de onderhandelingen is het voorstel van de gemachtigde van werknemer niet expliciet afgewezen. De werkgever had dus kunnen weten dat de pensioenkwestie nog bij een externe deskundige lag. De uitzondering op de finale kwijting ten aanzien van pensioen is niet dusdanig expliciet omschreven dat een mogelijke vordering van de werknemer na einde dienstverband ten aanzien van pensioen hierdoor zou zijn ingeperkt. . In de onderhandelingen met de gemachtigde van werknemer is niet expliciet gesproken over “middelloon of eindloon” en in de omschrijving van “pensioenvoorziening” ook niet terwijl de werkgever de vaststellingsovereenkomst had opgesteld. Het had dan op de weg van de werkgever gelegen om dit beter en duidelijker te omschreven gelet op het belang van deze uitzondering op de finale kwijting. Voorts neemt het Gerechtshof in aanmerking dat noch het memo waarin de pensioentoezegging is aangeboden noch de offerte van de verzekeraar helderheid biedt ten aanzien van de vraag wat precies de inhoud was van de aangeboden pensioentoezegging uit 1993. De werknemer krijgt de mogelijkheid om getuigen ten deskundigen te horen en raadplegen om haar vorderingen met bewijze te kunnen onderbouwen.

Kortom, het beroep van de werkgever op het finale kwijtingsbeding slaagt niet, omdat pensioen was uitgezonderd, deze uitzondering niet verder was ingeperkt door de werkgever en de werkgever die vaststellingsovereenkomst nota bene zelf heeft opgesteld.

Wat vindt de Hoge Raad?
In 2012 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over een finaal kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst[2]. In die zaak ging het om een werknemer van ABN AMRO die over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 personeelsopties toegekend had gekregen. Op 2 augustus 2006 hebben deze werknemer en ABN AMRO een overeenkomst gesloten over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2006. Zij zijn een vergoeding overeengekomen van € 628.965 bruto (op basis van de toen geldende kantonrechtersformule met een correctiefactor van 1,0). Over personeelsopties is in het kader van de beëindiging niet gesproken. Ook is hierover niets vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst.

Alleen de over 2003 toegekende optierechten heeft werknemer (in 2006) uitgeoefend. Werknemer heeft op 8 oktober 2007 opgemerkt dat de andere personeelsopties (totaal 4.700) waren verwijderd uit zijn effectendepot wat betekende dat deze feitelijk niet meer konden worden uitgeoefend. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Overleg tussen partijen heeft er niet toe geleid dat werknemer alsnog in de gelegenheid is gesteld zijn opties te verzilveren.

De werknemer vordert veroordeling van ABN AMRO tot betaling van een bedrag van € 86.531 netto ter zake van optieschade. ABN AMRO voert in haar verweer aan dat partijen finale kwijting zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter wijst een bedrag van € 20.000 netto toe als schadevergoeding. Volgens de kantonrechter had ABN AMRO het verval van de optierechten moeten bespreken in het kader van de beëindigingsafspraken. ABN AMRO gaat in hoger beroep. Het Gerechtshof. Het Gerechtshof gaat ook niet mee in het verweer ter zake de finale kwijting maar beperkt de schadevergoeding tot een bedrag van € 7.639 bruto.

Het hof oordeelde dat van ABN AMRO – als goed werkgever – verwacht had mogen worden werknemer te wijzen op het feit dat de opties mogelijk zouden komen te vervallen, indien partijen daar geen nadere afspraken over maakten (conform het optiereglement). Voorts zou ABN AMRO in de gegeven omstandigheden geen beroep toekomen op het beding van finale kwijting, omdat tijdens de onderhandelingen over de beëindigingsovereenkomst de opties geen enkel moment onderdeel van de onderhandelingen waren, zodat werknemer ook niet mocht of had moeten begrijpen dat de finale kwijting mede op de nog niet uitgeoefende optierechten zag. Het optievervalbeding in het optiereglement kan werknemer niet worden tegengeworpen, nu het goed werkgeverschap met zich bracht dat ABN AMRO werknemer op het verval had moeten wijzen temeer omdat de van toepassing zijnde documenten hier ook niet duidelijk over waren.

Kortom, deze werknemer behoudt recht op het uitoefenen van personeelsopties na einde dienstverband, ondanks de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst, omdat de opties geen onderdeel waren van de onderhandelingen bij de beëindiging.

Conclusie

Een finale kwijting is belangrijk bij het maken van afspraken over beëindiging van de arbeidsovereenkomst en het vastleggen van die afspraken in een vaststellingsovereenkomst. In principe valt alles onder die finale kwijting, hoewel uit voornoemd arrest van de Hoge Raad voldoende duidelijk wordt dat dit niet altijd geldt. Als iets van de finale kwijting wordt uitgezonderd, dan is het van belang om dit geschilpunt voldoende duidelijk te omschrijven en in te kaderen.

 

[1] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 september 2017. ECLI:NL:GHSHE:2017:4031

[2] Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7588, tevens JAR 2012/292

 

Arbeidsrecht
mr. Hannagnes Faber

mr. Hannagnes Faber

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite