0116 - Schadevaststelling door een expert, ja!  Maar wie betaalt de rekening?

0116 - Schadevaststelling door een expert, ja! Maar wie betaalt de rekening?

28februari2018

Schadevaststelling door een expert is in het verzekeringsrecht onontbeerlijk. Maar wie neemt de kosten daarvan voor zijn rekening? Veel verzekeringspolissen kennen de clausule dat de kosten voor contra-expertise maximaal worden vergoed tot de kosten die de verzekeraar zelf voor haar expert betaalt. Op grond van de wet is die beperking ten aanzien van consumenten ontoelaatbaar. Niet-consumenten kunnen geen beroep doen op de dwingendrechtelijkheid van de wettelijke regeling, maar er bestaat ook voor hen aanleiding om de expertisekosten als vermogensschade bovenop de verzekerde som te claimen.

Schadevaststelling door een expert is in het verzekeringsrecht onontbeerlijk. Maar wie neemt de kosten daarvan voor zijn rekening? De wet kent een beperkte regeling, maar daarin zijn toch wel wat aanknopingspunten te vinden.

Het was in november 2015 dat de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur Kamervragen beantwoordde over de vergoeding van contra-experts door verzekeraars. Aanleiding daarvoor was het televisieprogramma Radar waarin aandacht werd besteed aan de praktijk dat in veel verzekeringspolissen de clausule is opgenomen dat de kosten voor contra-expertise beperkt worden vergoed tot maximaal de kosten die de verzekeraar zelf voor haar expert betaalt.

In het kort kwam het antwoord van de minister erop neer dat hij bekend was met deze praktijk, maar dat de wet een verzekerde aanspraak geeft op vergoeding van kosten zolang deze redelijk zijn. Het is aan de rechter in een individueel geval te beoordelen wat redelijk is. Dat antwoord kan misschien wat nuancering gebruiken.

Beginpunt van iedere verzekeringsrechtelijke aanspraak is het voorvallen van een gedekt evenement. Maar dan? In de praktijk komt het erop neer dat de verzekeraar vervolgens een expert, al dan niet van een eigen afdeling, inschakelt om de schadeoorzaak en schadeomvang vast te stellen. In het kader van de equality of arms zou de verzekerde er goed aan doen om ook een expert in de hand te nemen om onderzoek te verrichten en in samenspraak met de expert van de verzekeraar de schade vast te stellen. In veel gevallen gebeurt dat niet of te laat. Gebrek aan kennis speelt daarbij een rol, maar ook onduidelijkheid voor de verzekerde omtrent de kosten van de in te schakelen expert.

Veel schadepolissen hebben als uitgangspunt dat schade wordt vastgesteld: i) in gezamenlijk overleg, ii) door enkel een expert van de verzekeraar of iii) door experts van beide partijen (al dan niet met een derde expert als arbiter).

In het geval de polis voorziet in een regeling waarbij de schade wordt vastgesteld door experts van beide partijen is in beginsel voorzien in een kostenregeling. Vaak echter dekt deze regeling slechts een deel van de daadwerkelijke kosten. De kosten worden gemaximeerd op het bedrag dat de verzekeraar zelf aan haar expert betaalt.

Aangezien verzekeraars met regelmaat experts inhuren kunnen zij deze diensten in bulk en tegen scherpe tarieven inkopen. Een verzekerde die in de regel slechts bij uitzondering aanspraak maakt op een expert, heeft dat kwantumvoordeel niet. Dat betekent dat wanneer de contra-expert even nauwkeurig zijn werk doet en evenveel uren besteed aan de zaak, de verzekerde toch met kosten blijft zitten.

Zoals de minister terecht in zijn beantwoording heeft opgenomen, kent de wet hier een regeling voor. Artikel 7:959 lid 1 BW luidt:

De in artikel 957 bedoelde vergoeding en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.

Uit het artikel volgt dat naast de bereddingskosten (de kosten bedoeld in artikel 7:957 BW) ook “de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade” ten laste van de verzekeraar komen. Strekking van het artikel is dat de verzekerde volledig schadeloos gesteld dient te worden en kosten gemaakt voor een expert niet in mindering mogen worden genomen op de verzekerde som. De wetgever heeft uitdrukkelijk op het oog gehad dat deze kosten naast en eventueel bovenop de vergoeding van de verzekerde waarde komen.[1]

De regeling is ten aanzien van consumenten van dwingend recht. Artikel 7:963 lid 6 BW schrijft voor dat van het bepaalde in artikel 7:959 lid 1 niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde kan worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten. Dit komt er op neer dat het de verzekeraar is toegestaan bij particulieren af te wijken van de wettelijke regeling voor zover de kosten niet het bedrag gelijk aan de verzekerde som overschrijden. De verzekeraar dient in het voor hem meest ongunstigste scenario dus maximaal twee keer de verzekerde som uit te keren.[2]

Dat betekent dat maximeringen in polisvoorwaarden, zoals hierboven omschreven niet zijn toegestaan. In lagere rechtspraak is dat ook terug te vinden. Gewezen zij bijvoorbeeld op een vonnis van de Rechtbank Gelderland van 10 september 2014.[3] In die uitspraak overwoog de rechtbank dat een algemene inperking van vergoeding van kosten tot het bedrag dat de verzekeraar zelf aan de expert heeft besteed, niet is toegestaan. En ook de minister bevestigt dit in zijn beantwoording van de Kamervragen: “Het in algemene zin maximeren van de redelijke kosten tot een lager bedrag dan de verzekerde som is met voornoemde bepalingen niet verenigbaar.”

Voor niet-consumenten geldt de regel van 7:959 lid 1 BW niet onverkort. Verzekeraars kunnen de omvang van de dekking van expertisekosten in hun polis beperken en doen dat ook geregeld. Bestaat er dan helemaal geen recht op vergoeding van contr-expertise voor niet-particulieren? Niet per se. De regeling van artikel 7:959 lid 1 BW is een specialis van de algemene regeling van artikel 6:96 BW.[4] Lid 2 sub b van artikel 6:96 BW duidt de redelijke kosten ter vaststelling van de schade aan als vermogensschade, waarmee deze kosten opnieuw onder de verzekering zouden kunnen worden gebracht als schade. Nadeel is dan uiteraard dat deze kosten onder de verzekerde som vallen en niet daar bovenop worden vergoed, zoals artikel 7:959 lid 1 BW uitdrukkelijk bepaalt.

In dit kader is een vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 maart 2013 interessant. Met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis overweegt de rechtbank:

Uit deze toelichting (de MvT, KR) valt op te maken, dat de reden om in 7:959 lid 1 BW een uitzondering te maken voor de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op het uitgangspunt dat de schade slechts tot de verzekerde som moet worden vergoed, is dat deze kosten (evenals de uitgezonderde bereddingskosten) in zekere zin los staan van de eigenlijke door de verzekerde geleden personen- of zaakschade, want gemaakt zijn ter vaststelling van het bestaan of de omvang van die eigenlijke schade.

Daaraan doet niet af dat artikel 6:96 BW dergelijke kosten als ‘vermogensschade’ aanmerkt. Zouden deze kosten niet boven de verzekerde som voor vergoeding in aanmerking komen maar daarop in mindering strekken, dan zou de ‘eigenlijke’ schade, indien deze de verzekerde som overschrijdt, in zoverre niet worden vergoed, hetgeen niet strookt met het beginsel dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos wordt gesteld.[5]

Op grond van dat uitgangpunt ging de rechtbank zelfs zo ver dat de verzekeraar ook advocaatkosten gemaakt voorafgaand aan de procedure als redelijke kosten ter vaststelling van schade bovenop de verzekerde som diende te vergoeden. Maar de interpretatie van de wetsgeschiedenis is duidelijk: ook op basis van artikel 6:96 BW kunnen expertisekosten bovenop de verzekerde som voor vergoeding in aanmerking komen.[6] Daarmee heeft de bedrijfsmatig verzekerde een serieuze ingang om ook zijn kosten van contra-expertise vergoed te krijgen.

Uiteraard dient in alle gevallen de redelijkheid van de expertisekosten te worden beoordeeld conform de dubbele redelijkheidstoets, maar de enkele omstandigheid dat de verzekeraar lagere kosten heeft gemaakt voor haar expert maakt de kosten van de verzekerde niet direct onredelijk. Zie recentelijk Rechtbank Gelderland 13 september 2017[7], waarin de rechtbank expliciet erop wijst dat het aannemelijk is dat Nationale-Nederlanden als grote verzekeringsmaatschappij voor (waarschijnlijk regelmatig) in haar opdracht uitgevoerde expertises een betere prijs kan bedingen dan dat een particulier dat kan. Dat die kosten vervolgens lager uitvallen, maakt de omvang van kosten van de contra-expert niet direct onredelijk.

Samengevat komt het erop neer dat een beperking van vergoeding van expertisekosten bij consumenten ontoelaatbaar is, ondanks dat vele polissen anders bepalen. Niet-consumenten kunnen geen beroep doen op de dwingendrechtelijkheid van de wettelijke regeling, maar er bestaat - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis - aanleiding om de expertisekosten als vermogensschade bovenop de verzekerde som te claimen.

 

[1]  |  “Dit artikel regelt de verplichtingen van de verzekeraar naast en eventueel boven de vergoeding van de verzekerde waarde. Voor zover het de in artikel 18 (thans art. 7:957 BW) genoemde kosten betreft, is dit reeds bij dat artikel toegelicht. De expertisekosten komen ook bij te lage verzekering geheel ten laste van de verzekeraar, omdat zij alleen met het oog op de verzekering plegen te worden gemaakt.” (Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 31 (MvT)

[2]  |  Zie: NvW I, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 43 en Asser/Clausing & Wansink, nr. 414-415.

[3]  |  ECLI:NL:RBGEL:2014:5921

[4]  |  Volgens de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 19 529, nr. 3, is bij de formulering van artikel 7:959 lid 1 BW, vergeleken met het voorontwerp, nauwer aangesloten bij artikel 6.1.9.2 lid 2 onder c. Gelet op de bewoordingen ‘de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade’ is bedoeld met de formulering aan te sluiten bij het huidige artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b. Daarop wijst ook het gebruik van de term ‘expertisekosten’ in de genoemde Memorie van Toelichting. Zie in deze zin ook Asser 7-IX, nr. 412, Mijnssen, Monografieën BW, Verzekering, 29.6.

[5]  |  Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 maart 2013, r.o. 3.8

[6]  |  Zie in eenzelfde zin ook Rechtbank Amsterdam 14 oktober 2010 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0452), waarin werd overwogen dat een polisbeding waarin staat opgenomen dat de kosten voor een contra-expert voor rekening van verzekerde blijven, niet derogeert aan artikel 6:96 lid 2 sub b BW (r.o. 2.21).

[7]  |  ECLI:NL:RBGEL:2017:4924

 

Burgerlijk recht, Verzekeringsrecht
mr. Kay Roderburg

mr. Kay Roderburg

advocaat Hammerstein Advocaten

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite