0119 - Je zal het maar zijn:  aandeelhouder & persoonlijk aansprakelijk

0119 - Je zal het maar zijn: aandeelhouder & persoonlijk aansprakelijk

01maart2018

 

Het is een belangrijk principe van vennootschapsrecht dat een aandeelhouder niet aansprakelijk is voor schulden van de vennootschap waarin hij aandelen houdt. En zoals dat bij de meeste uitgangspunten het geval is, worden ook op dit uitgangspunt van tijd tot tijd uitzonderingen aangenomen. Van zo’n uitzondering kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een aandeelhouder zich intensief bemoeit met de vennootschap en zich feitelijk als beleidsbepaler gedraagt, wanneer er misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen aandeelhouder en vennootschap of wanneer een aandeelhouder handelt in strijd met een op haar rustende (zelfstandige) zorgvuldigheidsnorm ten opzichte van een schuldeiser van de vennootschap. In de rechtspraak worden deze uitzonderingen echter nauwelijks aanvaard en wordt aan de beperkte aansprakelijkheid van aandeelhouders van oudsher groot gewicht toegekend. De achtergrond daarvan is dat het wenselijk is dat ondernemingen kapitaal kunnen aantrekken van meerdere investeerders, terwijl niet alle kapitaalverschaffers zich met de dagelijkse besteding van het vergaarde kapitaal hoeven te bemoeien. Men kan zich weliswaar afvragen of die gedachte nog opgaat in groepsstructuren en georganiseerde concerns, maar het uitgangspunt is nog altijd dat slechts de vennootschap zélf - als zelfstandige drager van rechten en verplichtingen - aansprakelijk is jegens haar schuldeisers.

In het mededingingsrecht lijkt aandeelhoudersaansprakelijkheid gemakkelijker te worden aangenomen, met name voor boetes in verband met een overtreding van het kartelverbod door de vennootschap. Of deze ontwikkeling ook tot de civiele (ondernemingsrechtelijke) rechtspraak zal doordringen, zal nog moeten blijken. Voor aandeelhouders van kapitaalvennootschappen is deze ontwikkeling in ieder geval van groot belang, omdat persoonlijke aansprakelijkheid op gespannen voet staat met de belofte van het vennootschapsrecht dat een aandeelhouder behoudens storting op zijn aandelen geen financiële verplichtingen heeft.

Eerder dit jaar deed het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak in een Sloveense zaak die de persoonlijke aansprakelijkheid van aandeelhouders voor schulden van de vennootschap in een ander daglicht zet. Het ging in deze zaak over het fundamentele recht op ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mensen en fundamentele vrijheden (artikel 1 EP). Een van de vragen die in deze zaak aan de orde kwam is namelijk of de persoonlijke aansprakelijkheid van een aandeelhouder voor schulden van de vennootschap een inmenging in het ‘grondrecht op eigendom’ van de aandeelhouder oplevert.

EHRM 14 februari 2017

(Lekić tegen Slovenië)

Aanleiding voor het arrest van het EHRM (Lekić tegen Slovenië) was de ambtshalve ontbinding van een inactieve vennootschap door de Sloveense tegenhanger van de Kamer van Koophandel. Het Nederlandse Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de Kamer van Koophandel bevoegd is om een rechtspersonen te ontbinden indien er - kort gezegd - langer dan een jaar geen bestuurders zijn ingeschreven, de ingeschreven bestuurders onvindbaar zijn, de verplichtingen tot openbaarmaking van de jaarrekening niet worden nagekomen of er geen aangifte voor de vennootschapsbelasting wordt gedaan. Het Sloveense rechtspersonenrecht bevat een soortgelijke bepaling die het mogelijk maakt om inactieve vennootschappen na verloop van tijd op te ruimen.

Een bijzondere consequentie van de ontbinding van inactieve rechtspersonen in Slovenië is dat er - anders dan in Nederland - geen vereffening van het vermogen van de rechtspersoon plaatsvindt. In plaats daarvan schrijft de Sloveense wet voor dat de aandeelhouders van de ontbonden vennootschap hoofdelijk verbonden zijn voor alle schulden van de vennootschap. De schuldeisers van de vennootschap kunnen na ontbinding in verband met inactiviteit dus verhaal nemen op de aandeelhouders, die met hun hele vermogen instaan voor de schulden van de vennootschap. Dat is, zoals gezegd, een bijzondere consequentie die zich niet goed lijkt te verhouden met het hierboven genoemde algemeen aanvaarde uitgangspunt dat een aandeelhouder niet aansprakelijk is voor schulden van de vennootschap en met de gescheiden vermogens van vennootschap en aandeelhouder(s). Het is een consequentie die voor Lekić als aandeelhouder van zo’n inactieve en bijgevolg ontbonden vennootschap in ieder geval te ver gaat. In de zaak die uiteindelijk bij het EHRM terecht komt verzet hij zich zowel tegen de ontbinding van de vennootschap zelf (dit aspect laat ik verder onbesproken) als tegen de gevolgen daarvan, namelijk het verlies van zijn aandelen en zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor alle schulden van de vennootschap. Lekić voert daartoe aan dat het verlies van zijn aandelen en zijn persoonlijke aansprakelijkheid als gevolg van de ontbinding van de vennootschap een inmenging in zijn grondrecht op het ongestoord genot van eigendom met zich brengen, welke inmenging naar zijn oordeel een ongerechtvaardigde inbreuk oplevert.

Inmenging door persoonlijke aansprakelijkheid aandeelhouder voor schulden vennootschap?

Het EHRM oordeelt dat er in het geval van Lekić sprake is van een inmenging in zijn fundamentele recht op ongestoord genot van eigendom in de zin van artikel 1 EP, omdat Lekić door de gevolgen van de ontbinding van de vennootschap direct wordt geraakt in zijn financiële belangen en individuele rechten. Het EHRM legt aan dat oordeel ten grondslag dat Lekić door de ontbinding (i) zijn aandeel in de vennootschap (een vermogensrecht) is kwijtgeraakt en (ii) met zijn gehele vermogen persoonlijk aansprakelijk is geworden voor alle schulden van de ontbonden vennootschap.

Het EHRM legt dus zowel het verlies van de aandelen als de persoonlijke aansprakelijkheid van de aandeelhouder ten grondslag aan het oordeel dat er sprake is van een inmenging in het recht op ongestoord genot van eigendom. Daardoor geeft het arrest helaas geen duidelijk antwoord op de vraag of de persoonlijke aansprakelijkheid van een aandeelhouder (het tweede element) ook op zichzelf voldoende is om een inmenging in het grondrecht op eigendom aan te nemen. Uit de onderbouwing van het oordeel dat sprake is van een inmenging, namelijk dat Lekić direct in zijn individuele rechten en financiële belangen wordt geraakt, lijkt te kunnen volgen dat ook het enkele feit dat een aandeelhouder met al zijn (persoonlijke) vermogensbestanddelen moet instaan voor de vorderingen van schuldeisers van de vennootschap een inmenging op het ongestoord genot van dat vermogen meebrengt. Of een dergelijk aan het fundamentele recht op ongestoord genot van eigendom ontleend argument een aandeelhouder ook in een concreet geval kan beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid is echter nog maar de vraag. Want zelfs al zou persoonlijke aansprakelijkheid als regel als inmenging op het door artikel 1 EP beschermde recht op eigendom moeten worden aangemerkt, dan levert die inmenging nog niet zonder meer een ongerechtvaardigde inbreuk op datzelfde fundamentele recht op. Een inmenging kan immers gerechtvaardigd zijn indien deze voortvloeit uit de wet, het algemeen belang dient en de inmenging proportioneel is. Of een inmenging ook een inbreuk oplevert, zal dus van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Betekenis voor de Nederlandse rechtspraktijk

Het Lekić-arrest geeft geen concluderend antwoord op de vraag of persoonlijke aansprakelijkheid van een aandeelhouder als regel een inmenging in het grondrecht op eigendom oplevert. Wel voegt het arrest mogelijk een nieuwe dimensie toe aan de discussie over aandeelhoudersaansprakelijkheid in de (Nederlandse) rechtspraktijk, aangezien aan de uitspraak het argument ontleend lijkt te kunnen worden dat een aandeelhouder die persoonlijk aansprakelijk is voor schulden van de vennootschap rechtstreeks in zijn financiële positie en individuele rechten wordt geraakt, hetgeen een inbreuk op het fundamentele recht op ongestoord genot van eigendom kan opleveren. In het geval van Lekić was de inmenging naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd, dus hem heeft het beroep op artikel 1 EP in ieder geval niet mogen baten.

Burgerlijk recht, Verzekeringsrecht
mr. Merel Rooijakkers

mr. Merel Rooijakkers

advocaat Kneppelhout & Korthals N.V.

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite