0126 - FUZZY LOGIC: HET RECHT OP INFORMATIE VAN DE AANDEELHOUDER

0126 - FUZZY LOGIC: HET RECHT OP INFORMATIE VAN DE AANDEELHOUDER

06maart2018

Knowledge is Power. Information is power. Interne informatiestromen kennen weinig geheimen voor de directeur-groot aandeelhouder. Als kleinere aandeelhouder kunt u bij een gebrek aan informatie echter snel buiten spel worden gezet. Informatierechten zijn noodzakelijk om grip te houden op een minderheidsbelang. Ook een investerende 50%-aandeelhouder wordt mogelijk geconfronteerd met een informatieachterstand als zijn joint venture partner volledig zorgdraagt voor de operationele taken. De investerende aandeelhouder zal dan met name geïnteresseerd zijn in informatie die hem in staat stelt een oordeel te vellen over wat er met zijn investering gebeurt. Dat geldt temeer wanneer tussen beide aandeelhouders tegenstrijdige belangen bestaan. Zelf de meerderheidsaandeelhouder kan geconfronteerd worden met een onwillig bestuur, en nee, ontslag is niet altijd het wenselijke antwoord. Aandeelhouders hebben informatierechten, waar of niet? Een beetje waar: Fuzzy Logic[1].

Als ondernemingsrechtadvocaat zie ik waar het vaak misgaat. Dezelfde problemen doen zich steeds weer in een andere vorm voor. In de woorden van Spinvis: ‘De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar rijmt altijd een keer’. In dit artikel worden handvatten geboden aan aandeelhouders: waarop heeft u recht en wat moet u zien te regelen.

Eerst wordt het recht op informatie van de algemene vergadering behandeld (paragraaf 2). Vervolgens komen de rechten van de individuele aandeelhouder aan bod (paragraaf 3). Daarna wordt behandeld hoe deze rechten kunnen worden versterkt door middel van contractuele of statutaire bepalingen (paragraaf 4). Last but not least, wordt in gegaan op de manieren waarop het recht kan worden “gehaald” als het recht op inlichtingen van de aandeelhouder(s) wordt geschonden (paragraaf 5). Dit artikel sluit af met een conclusie (paragraaf 6).

De algemene vergadering (“AVA”)Why tell me why?

De hoofdregel is dat het bestuur haar aandeelhouders informeert door middel van de jaarrekening en dat aandeelhouders in de algemene vergadering vragen kunnen stellen aan het bestuur. Het bestuur moet deze inlichtingen in principe dan ook verstrekken.[2]
De aandeelhouders hebben recht op voldoende financiële en operationele informatie[3] over de afwegingen die aan het gekozen beleid ten grondslag liggen.[4] Zo worden zij in staat gesteld hun wettelijke, statutaire en contractuele rechten uit te oefenen en om onderbouwde investeringskeuzes te maken.

Artikelen 2:107/217 lid 2 BW bepalen dat het bestuur en de Raad van Commissarissen (RvC) de algemene vergadering moet voorzien van alle verlangde informatie, tenzij de vennootschap een zwaarwichtig belang heeft dat zich hiertegen verzet.
Bijvoorbeeld bij het gevaar dat gegevens worden uitgelekt waardoor de concurrentiepositie van de onderneming in gevaar komt.
Of indien het zou leiden tot het onnodig ernstig schaden van verhoudingen binnen de vennootschap.[5] Deze regel geldt voor zowel de N.V. als de B.V.[6] Een zwaarwichtig belang zal niet snel worden aangenomen. Een contractuele geheimhoudingsplicht zal bijvoorbeeld niet zomaar een zwaarwichtig belang opleveren.[7] Uiteindelijk is het aan het bestuur (en de RvC) - en niet aan de aandeelhouders - om te beoordelen of er sprake is van een zwaarwichtig belang.

Als er een conflict bestaat of dreigt, zal de informatie verstrekt door het bestuur of RvC vaak naar de mening van de aandeelhouder onvoldoende zijn. Er ontstaat (ook) regelmatig een conflict over de vraag of er sprake is van een zwaarwichtig belang. Recenter zien we ook wel dat de aandeelhouders te veel informatie krijgen[8], zodat het lastig is om de revelante informatie hieruit te distilleren. Van belang is dus om het verzoek om informatie voorzichtig en concreet te formuleren en het verzoek te richten op en te beperken tot voor de aandeelhouder relevante informatie. Uiteraard mag het bestuur (en de RvC) geen onjuiste of misleidende informatie aan de aandeelhouders verschaffen. Dit kan soms onrechtmatige daad van of wanbeleid binnen de vennootschap opleveren.[9]

Als het kalf verdronken is (verantwoording achteraf)

De jaarrekening verschaft de aandeelhouders weliswaar informatie, maar deze informatie is vaak beperkt en achterhaald. Het gaat hier immers om verantwoording achteraf. Ook in de AkzoNobel uitspraak (2017) wordt nog eens benadrukt dat het bestuur (en de RvC) verantwoording moeten afleggen aan de aandeelhouders over het (reeds) gevoerde beleid.[10] Zij moeten laten zien dat er een zorgvuldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. Deze verantwoording mag achteraf plaatsvinden.

Verantwoording achteraf kan nog steeds waardevol zijn om het beleid en de koers van de onderneming te waarderen, al is het maar omdat de aandeelhouders dan kunnen bepalen of ze al dan niet met dit bestuur verder willen gaan. Op korte termijn biedt verantwoording achteraf minder houvast, bijvoorbeeld voor het uitoefenen van stemrechten of in het kader van korte termijn investeringsbeslissingen. Het leed kan dan al zijn geschied. Zie ook de AkzoNobel zaak. AkzoNobel ontving drie keer een voorstel voor een openbaar bod van PPG Industries op geplaatste gewone aandelen in het kapitaal van AkzoNobel. Het bestuur van AkzoNobel - met de steun van de RvC - heeft de drie voorstellen unaniem afgewezen en gaf aan niet verder in overleg te zullen treden.  Aandeelhouders hebben direct belang bij het wel of niet accepteren van dergelijke (voorstellen voor) biedingen. Toch hoefde het bestuur de aandeelhouders niet van te voren te consulteren of te betrekken. Het bestuur hoefde ook hier pas achteraf verantwoording af te leggen.

Reden hiervoor was dat het hier ging om strategische aangelegenheden die onder de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van het bestuur en niet de aandeelhouders viel. De wijze waarop een onderneming reageert op een ongevraagd voorstel voor een openbaar overnamebod, valt ook onder die bevoegdheid. Hierin ligt dus ook een begrenzing in het kader van de plicht aandeelhouders te informeren.
De aandeelhouders hebben wel recht op verantwoording, maar geen recht om voorafgaand over de besluitvorming te worden geïnformeerd als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Dat volgt ook uit de eerdere bekende uitspraken van de Hoge Raad.[11]

Dat kan overigens wel anders zijn als hiervan wordt afgeweken in de statuten (waarover hieronder meer) of de wet (bijvoorbeeld in art. 2:107a BW: besluiten zijn aan goedkeuring van de AVA onderworpen als het gaat om een besluit met een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming tot gevolg).

De individuele aandeelhouder

Vragen mag (maar een antwoord komt er misschien niet). Het hiervoor genoemde recht op informatie komt toe aan het orgaan: de AVA en dus niet aan de individuele aandeelhouder. Uit de Europese Richtlijn inzake Aandeelhoudersrechten volgt dat bij beursvennootschappen, individuele aandeelhouders ook voorafgaand aan de vergadering vragen mogen stellen, mits deze vragen zien op geagendeerde onderwerpen.[12] Dit kan ook worden gelezen in de eerder genoemde artikelen 2:107/2017 lid 2 BW.
Uit de ASMI-uitspraak (2010) volgt dat de individuele aandeelhouders ook vragen mogen stellen in de algemene vergadering, als deze vragen niet direct betrekking op de agendapunten. Het bestuur moet ook die vragen in beginsel beantwoorden. Dit mag echter alleen in het kader van de algemene vergadering.
De Hoge Raad overwoog dat buiten de algemene vergadering geen recht van de (individuele) aandeelhouders[13] bestaat op het verkrijgen van de door hen afzonderlijk verlangde inlichtingen.[14]
Hij of zij kan natuurlijk wel gewoon vragen richten aan het bestuur of de RvC buiten de vergadering, maar die mogen weigeren om de vragen te beantwoorden.

Caring is sharing (oftewel: de zorgplicht en redelijkheid en billijkheid)

Ook buiten de wet, reglement en statuten, kan er voor individuele aandeelhouders (toch) het recht bestaan op informatie. Onder (bijzondere) omstandigheden kan de individuele aandeelhouder buiten de vergadering om ex art. 2:8 BW bepaalde inlichtingen verkrijgen.[15] Die aandeelhouder moet daarbij wel een specifiek eigen belang hebben.[16] In bepaalde gevallen kan zelfs een plicht op de vennootschap rusten om de individuele aandeelhouder uit eigen beweging informatie en openheid van zaken te geven. Dit kan dus ook als de aandeelhouder daar niet specifiek om vraagt. We zien dit vooral bij een belangenverstrengeling[17] of de vergaande benadeling van één of meer aandeelhouders.

Het is niet ondenkbaar dat in bijzondere gevallen de individuele aandeelhouder nakoming van deze plicht ook buiten vergadering vordert op grond van de redelijkheid en billijkheid[18] of de daaruit voortvloeide zorgplicht, al lijkt dit af te wijken van de (ongeclausuleerde) hoofdregel in de ASMI-uitspraak.[19] Als er zijdens het bestuur of de RvC een informatieplicht bestaat en deze wordt niet nageleefd, dan moet de aandeelhouder natuurlijk iets kunnen ondernemen. Hij/zij dient bij het instellen van haar vordering wel het gelijkheidsbeginsel, het risico van voorwetenschap en de belangen van de vennootschap in ogenschouw nemen. De aandeelhouder moet ook over voldoende relevante informatie beschikken wil hij/zij zich kunnen beroepen op de relevante bijzondere omstandigheden die de afwijking van de hoofdregel zouden rechtvaardigen. Als de aandeelhouder al over deze informatie beschikt, dan is het de vraag of hij/zij nog een belang heeft bij een informatievordering. Hetzelfde geldt indien er ruimte en gelegenheid is om deze informatie tijdens of in het kader van een algemene vergadering op te vragen. Voldoet het bestuur en de RvC niet aan een informatieplicht, dan kunnen zij (via de vennootschap) in ieder geval achteraf met wanbeleid of onrechtmatig handelen worden geconfronteerd.

In de Cancun (2014) uitspraak bijvoorbeeld, werd door uitgiftes en een heimelijke overdracht van aandelen het karakter van een joint venture aangetast. Wanbeleid werd vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het bestuur maatregelen had moeten treffen of had moeten bewerkstelligen dat de gelijkheid tussen de aandeelhouders zou worden hersteld. Het bestuur had daarbij een actieve informatieplicht naar de benadeelde (individuele) aandeelhouder, ook al stond er geen specifieke informatieplicht in wet of statuten.[20] Het bestuur had de plicht in deze zaak om een derde aandeelhouder te informeren over een voorgenomen aandelenoverdracht tussen twee andere aandeelhouders, nu één van deze twee aandeelhouders hierdoor een meerderheid zou verkrijgen. In dit geval oordeelde de Hoge Raad dat, gelet op de zorgvuldigheid die in acht moet worden genomen volgens art. 2:8 BW, er (toch) een actieve informatieplicht bestond ten opzichte van de individuele aandeelhouder.

In een recente uitspraak De Leege Landen (2017) is hier door de Ondernemingskamer nog aan toegevoegd dat in een situatie waarin een van de aandeelhouders van een joint venture vennootschap geen bestuurder is, op de vennootschap een bijzondere zorgplicht rust jegens die aandeelhouder. Toereikende openheid dient dan door het bestuur te worden betracht”.[21]  Al eerder oordeelde de Ondernemingskamer in de zaak Jeezet/Synpact (2011) dat er voor het bestuur van een joint venture met drie aandeelhouders, een zorgplicht bestond ten opzichte van de minderheidsaandeelhouder[22].

Die zorgplicht hield in dat aan de minderheidsaandeelhouder meer openheid diende te worden betracht, ook met betrekking tot informatie waarop een aandeelhouder als zodanig geen recht heeft. Met name als er sprake is van een belangenverstrengeling. In die zaak trokken twee aandeelhouders gezamenlijk op, terwijl zij ook de meerderheid van de stemrechten vertegenwoordigden en tevens in het bestuur voorzagen.[23] 

Some shareholders are more equal than others?

De situatie doet zich vaak voor dat een aandeelhouder met een informatieachterstand wordt geconfronteerd ten opzichte van andere aandeelhouders. Bijvoorbeeld doordat een andere aandeelhouder tevens bestuurder is.

Waar de eerste aandeelhouder afhankelijk is van de algemene vergadering, is de andere aandeelhouder ook tussentijds volledig op de hoogte. In een dergelijk geval kan de aandeelhouder die niet bestuurder is,  blijkens het bovenstaande soms toch ook recht hebben op informatie buiten de vergadering. De hiervoor omschreven zorgplicht brengt dus een correctie met zich mee. Dat betekent niet dat de minderheidsaandeelhouder recht heeft op alle informatie waartoe de andere aandeelhouder - met de pet van bestuurder - toegang heeft. De aandeelhouder moet een concreet en eigen belang kunnen aantonen en de redelijkheid en billijkheid moeten het vergen dat deze aandeelhouder de betreffende informatie ontvangt. Dat zal alleen het geval zijn in bijzondere omstandigheden.

Wordt er door het bestuur uit eigen beweging of op verzoek informatie aan één aandeelhouder verstrekt, dan dienen de overige aandeelhouders deze informatie in beginsel ook te ontvangen. Dat volgt uit het in Nederland geldende gelijkheidsbeginsel (art. 2:92/201 BW). Dit beginsel verzet zich tegen een informatievoorsprong van bepaalde aandeelhouders.[24] Weet een aandeelhouder zeker dat een of meer andere aandeelhouders informatie heeft of hebben gekregen (anders dan als bestuurder; dan geldt de bovenstaande alinea), dan kan dat een grondslag vormen om ook deze informatie op te eisen (bijvoorbeeld in combinatie met art. 2:8 BW).

Voorkomen is beter dan… (aanbeveling: contractuele/statutaire bepalingen)

Het uitgangspunt bij het bestuur en de RvC is verantwoording achteraf. Het kan daarom zinvol zijn om (aanvullende)[25] goedkeuringsrechten en/of - bij de B.V. - een instructierecht voor de algemene vergadering in de statuten op te nemen of desnoods af te spreken.[26] Daarenboven is het mogelijk specifieke informatierechten overeen te komen met de vennootschap, die dan bij voorkeur in de statuten worden opgenomen.

Om er zeker van te zijn dat u als individuele aandeelhouder ook de nodige informatie krijgt op de momenten waarop dit wenselijk is, wilt u niet afhankelijk zijn van de (meerderheid in de) algemene vergadering of de welwillendheid van het bestuur. Ook wilt u als aandeelhouder niet afhankelijk zijn van “bijzondere omstandigheden” en van hetgeen de redelijkheid en billijkheid vergt. Dat is namelijk het best bezien in hindsight en brengt dus aanzienlijke (rechts)onzekerheid met zich mee. Idealiter laat de aandeelhouder het hier niet op aankomen. Aandeelhouders dienen daarom  bij aanvang van een samenwerking of bij het opzetten van een onderneming, de mogelijkheid te creëren om ook buiten vergadering de nodige, relevante informatie te verkrijgen. Het is bovendien nuttig om duidelijke afspraken te maken voor het geval hierover een geschil ontstaat. Dit kan bijvoorbeeld in de aandeelhoudersovereenkomst, statuten en in reglementen. Ook voor reeds bestaande samenwerkingen, is het zinvol de geldende afspraken eens goed onder de loep te nemen.

Hoe invulling moet worden gegeven aan de afspraken is afhankelijk van de onderneming. Is er sprake van een minderheidsaandeelhouder en een meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder, dan is vooral van belang voor de minderheidsaandeelhouder om zelf bepaalde informatierechten te verkrijgen. In een onderneming met meerdere kleinere aandeelhouders en/of een bestuurder die niet tevens aandeelhouder is, kan het nodig zijn om een regeling af te spreken waarbij iedereen partij is en die ook recht doet aan het gelijkheidsbeginsel.
Heeft een aandeelhouder een aantal aandelen verkregen als bonus, dan kan de situatie anders zijn dan bij een aandeelhouder die geld heeft geïnvesteerd en actief betrokken is of wil zijn bij de onderneming. Een aanpak op maat is daarom de aangewezen route.
Een goede formulering is ook van belang. In de zaak Care Group B.V. (2017) was sprake van een aandeelhoudersovereenkomst waarin stond dat het bestuur alle informatie en gegevens betreffende de gang van zaken aan de aandeelhouders zou verstrekken.[27]

De Ondernemingskamer oordeelde dat gelet op het besloten karakter van Care Group B.V. het voor de hand lag dat dit informatierecht ook buiten de aandeelhoudersvergadering bestond en dus dat individuele aandeelhouders hierop een beroep konden doen. Dit was een gunstige uitleg voor de individuele aandeelhouder en toont het nut van een contractuele bepaling. Beter is natuurlijk om de risico’s op een andere uitleg te beperken door concreet in de bepaling op te nemen dat de individuele aandeelhouder informatierechten heeft buiten de algemene vergadering en/of dat het bestuur in bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij een belangenverstrengeling) een actieve informatieplicht heeft ten opzichte van de individuele aandeelhouders.

Voor een minderheidsaandeelhouder in een reeds bestaande verhouding zal het lastiger zijn om nieuwe afspraken voor te stellen. Ook in een joint venture verhouding is er soms sprake van een “don’t rock the boat” houding. Aandeelhouders willen nog wel eens het standpunt innemen dat een geschil niet in de lijn der verwachtingen ligt en dat ze niet onnodig problemen willen veroorzaken (“als ik dat vraag, gaan er alarmbellen rinkelen”). Het gaat er echter juist om problemen te voorkomen door middel van heldere afspraken. Daarom maakt u immers een overeenkomst: voor als het misgaat of juist om te voorkomen dat het misgaat. Het opnemen van informatierechten is een essentiële stap bij het beschermen van de eigen investering en het voorkomen van onnodige meningsverschillen. Het maken van afspraken is vele malen makkelijker in een situatie waarin (nog) geen geschil bestaat. Hoe onwaarschijnlijk het nu misschien lijkt, een verschil van mening is nooit ondenkbaar. Bovendien kunnen duidelijke afspraken een geschil voorkomen. Voorkomen is beter dan genezen.

Recht halen

You gotta fight for your right (to information)
Aandeelhouders kunnen hun recht op informatie afdwingen. Een mogelijkheid (en raadzame eerste stap) is om een algemene vergadering bijeen te roepen. Werkt men niet of onvoldoende mee, dan kan men door middel van een machtigingsverzoek aan de voorzieningenrechter de bijeenroeping van een algemene vergadering voor dat doel afdwingen (op grond van bijvoorbeeld art. 2:110 en 2:111 BW).

Is er een overeenkomst dan kan simpelweg nakoming worden gevorderd bij de normale rechter. Houdt het bestuur zich (ook) niet aan reglementen en/of statuten, dan kan er reden zijn om u in plaats van tot de rechtbank, tot de Ondernemingskamer te wenden. Hoewel een procedure bij de Ondernemingskamer formeel gericht is op een onderzoek naar wanbeleid, biedt het partijen een flexibele en ingrijpende procedure en dat kan nodig zijn. Zelfs het eenmalig onvoldoende verstrekken van informatie aan aandeelhouders met betrekking tot een belangrijk onderwerp, kan reden zijn om wanbeleid aan te nemen.[28]

Gaat het om de schending van de plicht de aandeelhouder(s) te informeren, dan kan de aandeelhouder zich richten tot de rechtbank of de Ondernemingskamer. Om te voorkomen dat de aandeelhouder(s) een gebrek aan belang wordt verweten, is het zinvol eerst te trachten de informatie via een aandeelhoudersvergadering te verkrijgen. Lukt dat niet, dan kan naleving van - of onrechtmatig handelen en schadevergoeding ten gevolge van - de geschonden inlichtingenplicht worden gevorderd. Een rechtsvordering tot naleving moet tegen de vennootschap worden ingesteld en wel door de aandeelhouder(s) zelf. De AVA, het bestuur en de RvC kunnen als organen in beginsel niet zelf als procespartij optreden (hoewel dit wel voorkomt).[29] De onrechtmatige daadsactie en schadevergoedingsvordering zouden in theorie, afhankelijk van de omstandigheden, ook tegen de individuele bestuurders en commissarissen kunnen worden ingediend. Misschien is er haast bij het verkrijgen van informatie omdat er bijvoorbeeld op korte termijn moet worden ingegrepen. Onmiddellijke, voorlopige of provisionele voorzieningen kunnen uitkomst bieden bij respectievelijk de Ondernemingskamer, de voorzieningenrechter in kort geding en de bodemrechter.[30] Hierbij kan zelfs worden afgeweken van statuten en dwingend recht.
De Ondernemingskamer heeft met name een ruime vrijheid om voorzieningen te treffen die het in verband met de toestand geraden acht. Deze voorzieningen moeten daadwerkelijk voorlopig zijn (meestal voor de duur van het geding), maar dat staat er niet aan in de weg dat zij kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen.[31] Een leuke “nieuwe” mogelijkheid is om de Ondernemingskamer te vragen een gedelegeerd commissaris te benoemen die moet toezien op informatievoorziening aan een (minderheids)aandeelhouder. Dat kan zelfs zonder dat deze commissaris onderdeel is van de raad van commissarissen.[32]

Alternatieven om informatie te verzamelen in het kader van een geschil omtrent schending van een informatieplicht kunnen zijn: het houden van een (voorlopig) getuigenverhoor, het leggen van bewijsbeslag en/of het in rechte verzoeken van specifieke stukken of documenten (art. 843a Rv[33] en indirect artikelen 21 en 22 Rv).

Conclusie

Fuzzy logic: de aandeelhouder heeft recht op informatie. De stelling wordt “meer waar” naar mate er betere afspraken zijn gemaakt.Het bestuur is verplicht om alle vragen van de aandeelhoudersvergadering te beantwoorden, tenzij een zwaarwichtig belang zich daar tegen verzet. Tijdens de vergadering mogen ook vragen worden gesteld over onderwerpen die niet zijn geagendeerd. Buiten de vergadering hoeft het bestuur alleen vragen te beantwoorden die zien op geagendeerde onderwerpen.
Het bestuur hoeft aandeelhouders niet vooraf te betrekken in of te consulteren over zaken die vallen onder de bevoegdheid van het bestuur, tenzij anders is bepaald in de wet of in de statuten.

Buiten de vergadering hebben individuele aandeelhouders in beginsel geen recht op informatie. Van deze hoofdregel kan (alleen) worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid of de daaruit voortvloeiende zorgplicht dat vordert. Dit kan dan gaan om informatie op verzoek van de aandeelhouder of om informatie die uit eigen beweging door het bestuur (of de RvC) wordt verstrekt. Een dergelijk recht op informatie lijkt zich vooral voor te doen bij belangenverstrengelingen en in gevallen waarbij de meerderheidsaandeelhouder dicht op het bestuur zit en de minderheidsaandeelhouder tevens is of wordt benadeeld. Of er sprake is van een dergelijk recht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en biedt bij voorbaat dus weinig zekerheid. Van tevoren is niet vast te stellen of de individuele aandeelhouder recht op informatie zal hebben, als de situatie zich voordoet.

Individuele aandeelhouders (en de AVA) kunnen wel een duidelijk recht op informatie hebben als dit voortvloeit uit de statuten, reglement of (aandeelhouders)overeenkomst. Zij kunnen dit recht bij aanvang dus creëren / veiligstellen. Natuurlijk kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor het bestuur of de RvC de informatie niet zal hoeven te verstrekken, maar een dergelijk overeengekomen of in de statuten opgenomen recht dient in beginsel wel gerespecteerd te worden. Kort gezegd: het bestuur en/of de RvC moet dan met een goed verhaal komen wil zij de statutaire of contractuele informatieverplichtingen niet nakomen. Het maken van goede afspraken bij aanvang of gedurende een samenwerking is essentieel. Duidelijkheid komt met goede afspraken.
Leidt dit alles niet tot een afdoende informatieverstrekking aan de individuele aandeelhouder, dan is er een veelheid aan juridische mogelijkheden – in alle fasen van de samenwerking.      

 

[1]  Wikipedia: “Fuzzy logic (soms vage logica of wollige logica genoemd) is een stroming binnen de logica. Zij kan gezien worden als een uitbreiding van Booleaanse (boolean) logica. Het principe uit de Booleaanse logica dat iets of waar of onwaar is, wordt losgelaten; het is dus een vorm van meerwaardige logica. In plaats daarvan worden er waarheidswaarden gebruikt tussen 0 (onwaar) en 1 (waar) in. Het discrete karakter van de traditionele logica wordt hiermee ook losgelaten, iets kan bijvoorbeeld voor 1/3 waar zijn.”

[2]  Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282 m.nt. Blanco Fernandez (JeeZet/Synpact). 

[3]  HR 21 februari 2003, NL 2003, 181 (VIBA): recht op inlichtingen over financiële en operationele situatie voor gefundeerde besluitvorming. Zie in gelijke zin: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327. Zie anders: E. Schoenmaker-Tijsseling, ‘Het recht van een individuele aandeelhouder op informatie’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2011-4.

[4]  HR 21 februari 2003, NL 2003, 181 (VIBA). Let op: strategie van de onderneming zijn in beginsel wel aan het bestuur.

[5]  Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327.

[6]  Ten aanzien van de beursvennootschap geldt dat het wetsartikel moet worden uitgelegd conform artikel 9 Richtlijn Aandeelhoudersrechten. Voor de niet-beursgenoteerde N.V. en B.V. geldt dat niet, waardoor het artikel mogelijk wat ruimer kan worden uitgelegd. Europese Richtlijn inzake Aandeelhoudersrechten - Richtlijn 2007/36/EG (gewijzigd bij richtlijn 2017/828 17 mei 2017, Pbeu L132).

[7]  Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327; Rechtbank Amsterdam, 4 september 2002, JOR 2002/176 (Walmaro/Uni-Invest).

[8]   Bijvoorbeeld het verstrekken van dozen vol op ondoorzichtige wijze georganiseerde informatie.

[9]  Onrechtmatige daad: HR 7 november 1997, NJ 1998,268 (VEB/Philips) en P. van Schilfgaarde c.s., ‘Besluitvorming in de AVA’, nr. 64, Van de BV en NV 2017. Als eenmalige gebrekkige informatie alleen het gevolg heeft dat er een onjuiste indruk ontstaat over een belangenverstrengeling, dan levert dat geen wanbeleid op: HR 21 februari 2003, NL 2003, 181 (VIBA).

[10]   Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1965 (Akzo Nobel). Zie voor een samenvatting van deze uitspraak: http://www.dvdw.nl/nl/actueel/2017/7/7/de-overnamestrijd-bij-akzonobel/.

[11]  Bijvoorbeeld HR 9 juli 2010/NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI) of HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maijer (ABN AMRO).

[12]  P. van Schilfgaarde c.s., ‘Besluitvorming in de AVA’, nr. 64, Van de BV en NV 2017.

[13]  Het gaat hier alleen om de individuele aandeelhouder in die hoedanigheid. De aandeelhouder kan natuurlijk ook informatierechten hebben uit hoofde van andere hoedanigheden, bijvoorbeeld als schuldeiser. De beperkingen die in dit artikel worden omschreven gelden in beginsel niet voor rechten uit andere hoedanigheden.

[14]  HR 9 juli 2010/NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI). “Daarbuiten hebben aandeelhouders geen recht op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie. Het recht op nadere inlichtingen is een recht van de AvA als orgaan van de vennootschap, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording.” Zie ook bijvoorbeeld: E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992; P. van Schilfgaarde, J. Winter en J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 228; B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013 en Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327.

[15]  Bijv. Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, ARO 2009,45 (Butot).

[16]  Rb. Utrecht 29 juli 1998, JOR 1999/58 (Resort/Haamstede Boot).

[17]  Hof Amsterdam (OK), 26 mei 1983, NJ 1984/481 (Linders/Hofstee); HR 1 maart 2002, JOR 2002/79 (Zwagerman Beheer); Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282 m.nt. Blanco Fernandez (JeeZet/Synpact). 

[18]  Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, ARO 2009,45 (Butot); E. Schoenmaker-Tijsseling, ‘Het recht van een indivuele aandeelhouder op informatie”, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur, 2011-4, p.88.

[19]  Zie voetnoot 12. AG Timmerman meent dat een individueel informatierechten buiten vergadering ook niet ontleend kan worden aan art. 2:8 BW.

[20]   HR 4 april 2014, NJ 2014/286 (Cancun).

[21]  R.o. 3.5. Hof Amsterdam (OK) 12 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2899 (De Leege Landen – HVC/IBB).

[22]  HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer (Zwagerman); HR 12 juli 2013, NJ 2013, 461 m.nt. Van Schifgaarde (VEB/KLM). Zie ook B. Kemp, ‘Een bijzondere verantwoordelijkheid van de meerderheidsaandeelhouder jegens de minderheidsaandeelhouder?’, Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.2.2.

[23]  Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282 m.nt. Blanco Fernandez (JeeZet/Synpact). 

[24]  Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327.

[25]  Bepaalde belangrijke besluiten moeten op grond van de wet al aan de AVA worden voorgelegd (art. 2:107 BW – voor de N.V., maar er wordt vaak beredeneerd dat ook geldt voor de B.V.)

[26]  Het instructierecht moet blijkens de wet in de statuten worden opgenomen en kan niet alleen bij overeenkomst.

[27]  Hof Amsterdam (OK), 24 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:795 (Care Group B.V.). Over deze beschikking ook: F. Eikelboom, ‘Informatierechten als strijdmiddel in aandeelhoudersconflicten’, Bb 2017/64.

[28]  HR 21 februari 2003, NL 2003, 181 (VIBA), r.o. 3.4.3.

[29]  J.W. de Groot en P.S. Bakker, ‘Remedies voor de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder’, Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2010/2011, Kluwer 2011, p.254.  Dit gebeurt echter soms wel: Rechtbank Amsterdam, 10 augustus 2017, ECLI:NL:RWAMS:2017:5845, JOR 2017/260: hier trad de Raad van Commissarissen op als procespartij.

[30]  Zie ook: M.E.C. Lok en B. Kemp, “Scheiding als gevolg van een gefaalde liefde, het doorbreken van impasses en aandelenoverdracht bij een onoverkomelijke vertrouwensbreuk tussen joint venture-partners”, Ondernemingsrecht 2015/36.

[31]  Hof Amsterdam (OK) 27 juni 2007, JOR 2007/268, m.nt. Van der Korst (Skygate).

[32]  Hof Amsterdam (OK) 24 april 2017, JOR 20117/163 m.nt. Jitta (Fortuna)

[33] T.S. Jansen, ‘Art. 843a Rv in de ondernemingsrechtpraktijk’, Tijdschrift voor de Ondernemingsrechtpraktijk, nr. 3, mei 2009.

 

Ondernemingsrecht, Insolventierecht
mr. Marjon Lok

mr. Marjon Lok

advocaat DVDW Advocaten

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite