0139 - UAV-gc 2015: mooi, maar niet altijd evenwichtig

0139 - UAV-gc 2015: mooi, maar niet altijd evenwichtig

23april2018
mr. Antoine Broesterhuizen

 

Menig opdrachtgever maakt gebruik van de UAV-gc 2005, en menig bouwer wordt het gebruik ervan opgedrongen. Dat ik dit zo formuleer doet vermoeden dat bij mij weinig enthousiasme bestaat voor de UAV-gc 2005. Dat vermoeden is gedeeltelijk juist. Laat ik voorop stellen: de opzet van de UAV-gc 2005 is een huzarenstuk geweest. De – breed bestaande – wens in de markt om een model voor ontwerp- & bouwovereenkomst beschikbaar te hebben is met de inzet van alle betrokkenen op een briljante manier vervuld.

Minder enthousiasme kan ik opbrengen voor de aanname dat de UAV-gc, juist omdat deze paritair is opgesteld, een evenwichtig contract is. Ik ben van oordeel dat dit niet per definitie een juiste aanname is. Op cruciale onderdelen is een redelijk evenwicht tussen de rechten en plichten van beide zijden ver te zoeken.

Neem – bijvoorbeeld – de verplichting van de opdrachtgever om de opdrachtnemer van de nodige informatie te voorzien om hem in staat te stellen het werk uit te voeren, paragraaf 3 lid 1 onder a UAV-gc. Menigeen, en zeker een groot aantal opdrachtnemers, verwacht gemakshalve ten minste volledig door de opdrachtgever te worden geïnformeerd over alle aspecten die voor opdrachtverlening bij de opdrachtgever bekend zijn, en zal dus offreren alsof er in die zin volledig is geïnformeerd. Dat lijkt ook logisch en redelijk. De werkelijkheid is echter anders. Uit de (schaarse) jurisprudentie van de Raad van Arbitrage op dit punt volgt dat de verplichting van opdrachtgever om de opdrachtnemer van de dergelijke informatie te voorzien (vooralsnog te) erg geclausuleerd is. 

Allereerst is een belangrijke beperking dat het niet gaat om alle informatie, maar slechts om relevante informatie, namelijk informatie die voor de opdrachtnemer noodzakelijk is het werk te kunnen realiseren. Opdrachtnemers mogen niet te snel aannemen dat informatie in die zin noodzakelijk is. Het gaat er daarbij niet per sé om, dat de betreffende informatie nodig is om tot een gedegen, verantwoorde prijs te komen, hoewel dat wel misschien redelijk zou zijn. Eerder is de tendens dat het voor de opdrachtnemer onmogelijk moet zijn het werk ook echt feitelijk te realiseren binnen de contractuele eisen als niet over de betreffende informatie wordt beschikt. Daar komt vervolgens bij dat moet blijken dat de opdrachtgever over deze informatie beschikt én dat de opdrachtnemer deze informatie niet via een andere weg dan van/via de opdrachtgever kan verkrijgen. Het is de opdrachtnemer die het een en ander moet aantonen mocht het zover komen dat onderling overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemer tot niets leidt. 

De vraag rijst dan natuurlijk – en dat gebeurde al in de bouwrechtelijke literatuur – hoe een opdrachtnemer kán aantonen dat bepaalde informatie wel aanwezig was bij de opdrachtgever en bovendien niet via een andere weg dan via de opdrachtgever was te verkrijgen. Dat lijkt bijna onmogelijk te zijn, tenzij de opdrachtnemer de helpende hand wordt geboden door ook de opdrachtgever te belasten met (een deel van) het bewijs dat informatie ook elders was te verkrijgen. Of en in hoeverre een dergelijke hand zal worden geboden is echter nog de vraag. Gelet op de op dit moment voorliggende uitspraken mag de positie van de opdrachtnemer bepaald niet sterk worden geacht. Gevolg daarvan is dat als achteraf – tijdens de uitvoering, of nadien – blijkt dat bepaalde informatie bij de opdrachtnemer ontbrak maar deze informatie achteraf bezien cruciaal was, het risico aanzienlijk is dat de in verband daarmee ontstane extra kosten – lees: de schade – voor rekening van de opdrachtnemer zal blijven. Dit besef blijkt in veel gevallen onvoldoende te zijn geland bij opdrachtnemers. 

Dat opdrachtnemers een aanzienlijk risico dragen als het gaat om de verplichting van de opdrachtgever om de opdrachtnemer te informeren, is in ieder geval op een tweetal punten aanvechtbaar. Hoe redelijk en billijk is het om de medewerkingsplicht van de opdrachtgever te beperken tot verschaffing van slechts die informatie die nodig is om het werk in ieder geval slechts uit te kunnen voeren, en overige informatie, die bij de opdrachtgever beschikbaar is bijvoorbeeld relevant voor uiteenlopende mogelijke ontwerpoplossingen, achter te houden? Het tweede punt betreft de bewijslastverdeling inzake de vraag of informatie ook via een andere weg is te verkrijgen.

De opdrachtnemer wordt in feite belast met een duivelsbewijs, namelijk het bewijs dat informatie wel bij de opdrachtgever beschikbaar was en bovendien niet via andere weg verkrijgbaar was. Een versoepeling van deze last, in de zin van tenminste een verdeling van de bewijslast, zou evenzeer vanuit de maatstaven van redelijkheid en billijkheid logisch zijn.

Op dit moment wordt hard gewerkt aan een herziening van de UAV-gc 2005. Vernomen is dat mogelijk ook de regeling van paragraaf 3 lid 1 onder a UAV-gc wordt herzien. Ik kijk uit naar het resultaat van die herziening!

Bestuursrecht, Bouwrecht, Huurrecht
mr. Antoine Broesterhuizen

mr. Antoine Broesterhuizen

advocaat Infense Advocaten

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite