0140 - Een kwestie van meerwerk?

0140 - Een kwestie van meerwerk?

23april2018
prof. mr. Jan-Michiel Hebly

 

Op 10 november 1846 vindt door de Commissie van beheer en toezigt over de droogmaking van het Haarlemmermeer een openbare aanbesteding plaats voor ‘het stichten van een gebouw met de aanhoorigheden, geschikt om daarin te plaatsen het stoomwerktuig en verder toestel tot droogmaking van het Haarlemmermeer, genaamd  De Qruqius, te stellen onder de gemeente Zuidschalkwijk, provincie Noord-holland, en zulks te zullen uitvoeren volgens het voor dat werk vooraf gemaakte bestek.’

Op 19 november 1846 komt de aannemingsovereenkomst tot stand; de aanneemsom bedraagt f 209.390. Reeds bij het uitgraven van de bouwput ontstaan problemen door ‘de zoo aanzienlijke toevloeijing van loopzand en water’, dat ‘de mogelijkheid tot bereiking der gevorderde diepte dezer put, zonder aanwending van buitengewone, niet in het bestek van dat werk voorziene, hulpmiddelen, hoogst twijfelachtig werd.’ Partijen sluiten daarop een nadere overeenkomst waarbij de funderingsput wordt vervangen door ‘eene rondgaande afheijing, waarvan de wijze en inrigting bij de overeenkomst naauwkeurig is omschreven.’ Voor het leveren, maken en plaatsen van de ‘afheijing’ wordt een prijs van f 10.000 overeengekomen. Nadat deze vervangende werkzaamheden zijn uitgevoerd, kan het aangenomen werk worden voortgezet en afgerond. In 1849 wordt gemaal De Qruqius opgeleverd. Het is één van de drie gemalen waarmee de Haarlemmermeer tussen 1849 en 1852 is drooggepompt. Het gemaal is in 1933 buiten werking gesteld en behoort thans tot de top 100 van Nederlandse rijksmonumenten (www.rijksmonumenten.nl).

Maar de aannemer is niet tevreden. Hij is er financieel bij ingeschoten en start een gerechtelijke procedure tot verhaal van de kosten die hij heeft moeten maken om de Commissie te overtuigen de nadere overeenkomst aan te gaan en voor de extra kosten die ‘ter oorzake van de locale omstandigheden van hem zijn gevorderd geworden’. Zijn vordering bedraagt f 22.871,31½ te vermeerderen met rente en met veroordeling van de Staat c.q. de Commissie in de kosten van het geding. De zaak belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad die op 11 juni 1852 uitspraak doet (gepubliceerd in Nederlandsche Regtspraak, A. Brocx/J. Cohen Stuart, jaargang 1852, 1e deel, Gebr. Van Cleef, Den Haag 1852, par. 20).

De Hoge Raad stelt allereerst vast dat sprake is van een vordering uit hoofde van meerwerk. De aannemer heeft immers door het aangaan van de nadere overeenkomst en de voortzetting en afronding van het aangenomen werk getoond de overeenkomst in stand te willen houden. Die meerwerk vordering acht de Hoge Raad vervolgens ongegrond, aangezien ‘het niet aangaat, om, nu de eischer, volgens zijn beweren, voor een gedeelte van het werk meerdere kosten heeft moeten maken dan hij zich aanvankelijk voorgesteld had, thans nog deswege betaling te vorderen, hebbende hij zich zelven te wijten, dat hij, vóór de bepaling der som, waarvoor hij het werk wenschte aan te nemen, niet al de kansen berekend heeft, en later bij het sluiten van de overeenkomst van den 16 Junij 1847, zich geene voordeliger voorwaarden heeft weten te bedingen’. De Hoge Raad verwijst ter onderbouwing naar artikel 1646 BW, de voorloper van het huidige artikel 7:755 BW. Dat artikel luidde als volgt: ‘Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met den eigenaar van den grond beraamd en vastgesteld, kan hij geene vermeerdering van den prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der arbeidslonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrootingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met den eigenaar geene overeenkomst is getroffen’. Met verwijzing naar deze wetsbepaling overweegt de Hoge Raad dat ‘de eischer alleen regt heeft op den bedongen aannemingsprijs, en op die vergoeding of schadeloosstelling, welke hem, ter zake der verandering in het bestek, bij het nader contract van den 16 Junij 1847 is toegekend, en hij alzoo niet is geregtigd om, onder den titel van schadevergoeding, zijne vorderingen ter zake van deze aanneming verder uit te breiden’.

Zou die beslissing van de Hoge Raad in de Qruqius-zaak naar de regelgeving van vandaag (wezenlijk) anders hebben geluid? Artikel 7:755 BW vereist een door de opdrachtgever gewenste toevoeging of verandering. Blijkt niet van die wens, dan is in beginsel geen sprake van meerwerk (Hof Den Bosch 7 september 2010, LJN BN8005; Herber, Bestekswijzigingen, TBR 2010/41, par.5). Onder omstandigheden kan dat echter anders liggen en heeft een aannemer recht op bestekswijziging (Van Wijngaarden/Chao-Duivis, Bouwrecht, uitgeverij Paris, 8e druk 2013, no.239; Chao-Duivis, T&C Bouwrecht, par.36 UAV 2012, aant.1; Hebly, Mag het ietsje meer zijn? Meerwerk na de bouwenquête, in: Van den Berg e.a. (red), Van Wijngaarden-bundel, Tjeenk Willink 2003). Als wel sprake is van meerwerk, impliceert dat nog niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging (Hebly/Lorenzo van Rooij, Aanneming van werk, de parlementaire geschiedenis, Uitgeverij Paris, Zutphen 2004, ad artikel 755). Wordt een prijsverhoging gevorderd, dan behoeft de toestemming daarvoor onder artikel 7:755 BW echter niet langer door een geschrift te worden aangetoond.

Uit de Qruqius-casus blijkt niet dat de werkzaamheden waarvoor een aanvullende vergoeding wordt gevorderd in de uitvoeringsfase tussen partijen zijn besproken. In een dergelijk geval speelt naar huidig recht de vraag of de opdrachtgever de noodzaak tot het meerwerk en de bijbehorende prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen (Van Wijngaarden/Chao-Duivis, Bouwrecht, uitgeverij Paris, 8e druk 2013, no. 241/268). De omstandigheden van het geval spelen daarbij uiteraard een belangrijke rol. In de Qruqius-casus hebben partijen een aanvullende overeenkomst gesloten voor een bestekswijziging en de bijbehorende prijsverhoging. Feiten en omstandigheden die voorafgingen aan of rechtstreeks samenhingen met (het sluiten van) die overeenkomst, konden worden geacht in die overeenkomst verdisconteerd te zijn. Dat lijkt althans het standpunt van de Hoge Raad. Naar huidig BW zal dat niet anders zijn.

Voor de meerdere kosten ten gevolge van de ‘locale omstandigheden’ (de tweede grondslag voor de vordering tot aanvullende vergoeding) kan naar huidig recht mogelijk wel anders worden geoordeeld, aangezien in artikel 7:753 BW thans een regeling is opgenomen voor kostenverhogende omstandigheden die pas na het sluiten van de (nadere) overeenkomst zijn ontstaan of aan het licht gekomen. Uit de casus blijkt echter niet of daarvan sprake was danwel of de aannemer de opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van een prijsverhoging ten gevolge van dergelijke omstandigheden heeft gewaarschuwd (lid 3). Een dergelijke waarschuwingsplicht is vergelijkbaar met die van paragraaf 6 lid 15 UAV 2012 in een situatie dat deze algemene voorwaarden op het werk van toepassing zijn. Een waarschuwing voor extra werk en de daaraan verbonden extra kosten (en eventuele extra bouwtijd) is essentieel voor de aannemer – zowel vroeger als nu - om zijn financiële aanspraken ook daadwerkelijk te gelde te kunnen maken.

Al met al ziet het er naar uit dat de beslissing van de Hoge Raad in een soortgelijke casus als De Qruqius naar het recht van vandaag niet heel anders zou luiden … een geruststellende gedachte.

Bestuursrecht, Bouwrecht, Huurrecht
prof. mr. Jan-Michiel Hebly

prof. mr. Jan-Michiel Hebly

hoogleraar Bouw- en Aanbestedingsrecht Universiteit Leiden, advocaat Benthem Gratama Advocaten

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite