0153 - "Tijd is geld" Bespiegelingen over stagnatieschade in de bouw

0153 - "Tijd is geld" Bespiegelingen over stagnatieschade in de bouw

07juni2018

Inleiding

Voor het tot stand brengen van een bouwwerk is niet alleen materiaal en arbeid nodig maar ook tijd. Opdrachtgever en aannemer hebben beiden een bepaalde verwachting over de hoeveelheid tijd die nodig is en het moment van oplevering. Als die verwachting niet uitkomt omdat de uitvoering van het werk vertraging oploopt, levert dat teleurstelling op. Die teleurstelling vertaalt zich niet zelden in een vordering op de partij die verantwoordelijk wordt gehouden voor de vertraging. Dit artikel betreft enkel de vordering tot vergoeding van stagnatieschade van de aannemer op de opdrachtgever. Ik ga met name in op de verschillende grondslagen voor een dergelijke vordering en doe enkele suggesties voor een praktische contractuele regeling van dit punt. 

De bouwtijd wordt in het algemeen bepaald in de aannemingsovereenkomst. Om de een of andere reden is de bouwtijd meestal aan de krappe kant. De fase van planontwikkeling, inclusief bestuursrechtelijke procedures, diverse onderzoeken en het opstellen van bestek­stukken, al dan niet gevolgd door een aanbesteding, duurt vaak lang en het lijkt wel of het geduld van opdrachtgever op is als de daadwerkelijke uitvoering begint. De opdrachtgever dringt dus vaak aan op een korte bouwtijd. Maar ook de aannemer heeft daar belang bij. De kostprijs (en daarmee ook de marge) is immers gebaseerd op de aanname dat het werk efficiënt kan worden uitgevoerd en dat kapitaal en bedrijfsmiddelen gedurende een zo kort mogelijke periode hoeven te worden ingezet. Als die aanname niet blijkt te kloppen gaan de kosten uit de pas lopen. Als de verstoring en vertraging van het bouwproces in de visie van de aannemer door de opdrachtgever wordt veroorzaakt zal hij proberen zijn schade op de opdrachtgever te verhalen. 

Specifieke grondslagen

De UAV 2012 voorzien in de gevolgen van bepaalde vertraging veroorzakende factoren. De belangrijkste daarvan is het opdragen van meerwerk. In § 34 UAV is bepaald dat indien de directie wijzigingen aanbrengt in de uitvoering van het werk waardoor van de aannemer meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, hij recht heeft op bijbetaling. 

De meest duidelijke specifieke grondslag vormt § 26 UAV waarin is vastgelegd dat de aannemer een algemeen tijdschema opstelt waarin tevens wordt aangegeven “op welke tijdstippen de aannemer ten behoeve van de voortgang van het werk en de volgorde van de onderdelen ervan zal dienen te beschikken over datgene waarvoor de opdrachtgever of de directie volgens de overeenkomst dient te zorgen”. Hoewel de bepaling is geformuleerd als een verplichting van de aannemer – het opstellen van een algemeen tijdschema –vloeit daar toch ook een verplichting voor de opdrachtgever uit voort. Dat blijkt wel uit lid 7 van § 26 dat bepaalt “wijzigingen door de directie in het goedgekeurde algemene tijdschema of gedetailleerde werkplan aangebracht geven de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer wordt gevergd dan redelijkerwijs van hem kan worden verlangd”

Een derde specifieke regeling is de vinden in § 29 UAV dat gaat over de verschillen in afmetingen of in de toestand van bestaande werken en terreinen. 
De opdrachtgever draagt het risico van verschillen tussen de in het bestek beschreven en de werkelijke toestand van bestaande werken en terreinen en is verant­woordelijk voor de juistheid van door of namens hem verstrekte gegevens, waaronder de af­metingen. Indien sprake is zulke verschillen heeft de aannemer ingevolge lid 4 aanspraak op bijbetaling indien de verschillen van zodanig aard zijn dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.

Minder duidelijk is de regeling over de coördinatie van in elkaar grijpende werken (nevenaanneming) in § 31 UAV. Ook dan kan de aannemer aanspraak maken op bijbetaling indien van hem meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd maar dat is beperkt tot de situatie dat derden gebruik maken van reeds gemaakt werk en gemaakte hulpwerken. Die regeling lijkt niet geschreven voor het geval een nevenaannemer voor vertraging zorgt. De praktijk voorziet in die lacune door het sluiten van coördinatie-overeenkomsten.
Ook de coördinatie-overeenkomst kan een grondslag bieden voor een vordering tot vergoeding van stagnatieschade. De opdrachtgever probeert meestal buiten schot te blijven door in de coördinatie- overeenkomst te bepalen dat de nevenaannemers primair elkaar aansprakelijk moeten houden voor stagnaties. Niettemin kan het werk van de nevenaan­nemers beschouwd worden als verplichting van de opdrachtgever. 

Algemene grondslag

Voor veruit de meeste situaties die zich in de dagelijks de praktijk voordoen bestaat geen specifieke regeling die voorziet in de gevolgen van aan te opdracht­gever toe te rekenen vertraging. Voor een verplichting tot schadevergoeding die niet is gebaseerd op een specifieke regeling is vereist dat de opdrachtgever in verzuim is.
Dat betekent dat er sprake moet zijn van een tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting. Over welke verplichting hebben we het dan eigenlijk?

De planning is een belangrijk hulpmiddel bij de uitvoering van een werk. In veel gevallen is de planning ook een contractstuk en in dat geval kunnen er – afhankelijk van de wijze waarop er naar is verwezen – verplichtingen uit voortvloeien. Steeds vaker, onder andere in UAVgc contracten, wordt in de planning gewerkt met milestones, tussentijdse peildata waarop het werk een bepaalde stand moet hebben bereikt.
Die uit de planning voortvloeiende verplichtingen richten zich echter steeds tot de aannemer en niet tot de opdrachtgever, met uitzondering van de hiervoor genoemde impliciete verplichting die is genoemd is in § 26 UAV.

De vordering tot vergoeding van stagnatieschade is vaak gebaseerd op de stelling dat de opdrachtgever tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende plicht tot medewerking. Die verplichting is echter zelden of nooit expliciet vastgelegd. Natuurlijk valt te denken aan de algemene regeling voor schuldeisers­verzuim (art. 6:58 BW) maar die regeling voorziet maar zeer beperkt in een aanspraak tot schade­vergoeding (bijvoorbeeld bewaarloon). 

In de UAV 2012 worden enkele medewerkingsplichten genoemd, met name de plicht om te zorgen voor tijdige beschikbaarheid van publiekrechtelijke en privaat­rechtelijke toestemmingen, het werkterrein en de benodigde gegevens  en tekeningen (§ 5 lid 1 sub a, b en c) en ook de verplichting tot coördinatie van nevenaannemers (§ 31 lid 2).
Een algemene verplichting voor de opdrachtgever om mee te werken aan een efficiënte en vlotte uitvoering plicht is in de UAV en soortgelijke voorwaarden is echter niet expliciet geregeld en ook titel 12 van boek 7 BW zwijgt daarover.

Veel discussies gaan over het niet tijdig beschikbaar zijn van de gegevens en tekeningen, of het niet tijdig goedkeuren daarvan door de opdrachtgever. Als de benodigdheid van deze gegevens blijkt uit een tekeningen- en gegevensbehoefteschema levert dat de verdedigbare stelling op dat daaruit impliciet de verplichting voor de opdrachtgever voortvloeit de in het schema genoemde data in acht te nemen.

Het niet tijdig beschikbaar zijn van tekeningen en gegevens is echter maar een van de vele omstandig­heden aan de zijde van de opdracht­­gever die voor stagnatie kunnen zorgen. In de praktijk gaat het vaak ook om het uitblijven van beslissingen of formele opdrachten voor wijzigingen en meerwerk, of om een stapeling van kleinere wijzigingen of andere oorzaken, die ieder op zich niet of nauwelijks vertraging met zich meebrengen maar tezamen zorgen voor een significante verstoring van het bouwproces. Bij dat tekortschieten speelt geregeld een gebrekkige communicatie met opdrachtgever of directie een rol. Dat maakt het nog lastiger voor de aannemer omdat dergelijke discussies  vaak een hoog “pot verwijt de ketel karakter” hebben.

Suggesties

Slepende en moeizame discussies zouden deels kunnen worden voorkomen door voor het sluiten van de aannemings­overeenkomst na te gaan welke medewerking nodig is van de opdrachtgever en zo concreet mogelijk op te nemen in de overeenkomst waar die medewerking uit bestaat en
op welk moment deze nodig is. 

Een voordeel daarvan is dat partijen zich er beter van bewust zijn dat het voor het intreden van verzuim van de opdrachtgever nodig is dat deze in gebreke wordt gesteld. Dat blijft in de praktijk vaak achterwege.
Dan wordt volstaan met het melden van de aanspraak op vergoeding van stagnatieschade, in gunstige gevallen aangevuld met een vermelding van de grondslag en een indicatie van de hoogte van de claim. Het tijdig melding van een aanspraak tot bijbetaling (§ 6 lid 15 UAV) hoort echter strikt genomen bij een aanspraak tot vergoeding van stagnatieschade op een specifieke grondslag. Voor een vordering die gebaseerd is op de algemene grondslag dat de opdrachtgever tekort schiet hoort echter een ingebrekestelling, al wordt daar in de rechtspraak, vooral van de Raad van Arbitrage voor de bouw soepel mee omgegaan.

Wellicht zijn vele vertragende omstandigheden vooraf niet voorzienbaar. Voor die gevallen kan in ieder geval een procedure-afspraak worden gemaakt, bijvoorbeeld over een bepaalde termijn waarbinnen wordt gereageerd op verzoeken van de aannemer om informatie of beslissingen.  

Zoals het gebruikelijk is om vooraf de gevolgen van aan de aannemer toe te rekenen gevolgen van bouw­­tijdoverschrijding te regelen, in de vorm van een korting of gefixeerde boete of schade­vergoeding, is dat ook omgekeerd aan te raden. In procedures wordt vaak heftig gedebatteerd over de hoogte van de stagnatieschade. Vele mogelijke soorten stagnatie­schade (bijvoorbeeld leegloop, efficiëntieverlies, versnellings­smaatregelen) lenen zich daar uitstekend voor. In veel gevallen zal ook vooraf best een inschatting gemaakt kunnen worden van de kosten van vertraging. Ook als de boeteclausule wordt aangevuld met de bekende frase: “onverminderd het recht op vergoeding van de werkelijke schade” heeft een gefixeerd bedrag toch vaak een sterk remmende werking op de lust tot procederen. 

Bespreking en vaststelling van de stand van het werk in relatie tot planning en oplevering is in de regel een vast onderdeel van de bouwvergadering. Ook hier geldt dat dit steeds gebeurt vanuit het perspectief van de opdrachtgever. Het is logisch ook de vertragingen die wordt veroorzaakt door de opdrachtgever te registreren.
Te meer omdat het verloop van de bouwtijd in de praktijk vaak het resultaat blijkt van vertragingen die zowel door opdrachtgever als door de aannemer zijn veroorzaakt. Dat beeld wordt nog verder vertroebeld door het effect van versnellingsmaatregelen en meevallers, waardoor mening opdrachtgever die meent dat het wel los zal lopen met vorderingen tot vergoeding van stagnatie­schade, op het verkeerde been wordt gezet en hoewel het werk tijdig wordt opgeleverd toch nog met een claim tot vergoeding van stagnatieschade wordt geconfronteerd.

Conclusie

De vordering tot vergoeding van stagnatieschade kan worden gebaseerd op meerdere grond­slagen. Voor een aantal grond­slagen geldt een specifieke regeling maar vaak wordt de vordering gebaseerd op een tekortkoming van de opdrachtgever in de nakoming van diens ver­plichting de aannemer in staat te stellen het werk vlot en efficiënt uit te voeren. Die verplichting is in de regel niet concreet geformuleerd in de overeenkomst en toepasselijke voorwaarden. Het verdient daarom aanbeveling die verplichting zo concreet mogelijk te maken.
Zelfs als het niet mogelijk blijkt vooraf afspraken te maken over de gevallen en de mate waarin aanspraak op schadevergoeding kan worden gemaakt heeft het voeren van een gesprek daarover – bijvoorbeeld door een in te vullen standaardbepaling in een modelcontract- toch nut omdat het partijen helpt hun verwachtingen concreet te maken en die van hun contractpartij te managen.

Bestuursrecht, Bouwrecht, Huurrecht
mr. Peter Verstegen

mr. Peter Verstegen

advocaat Heijltjes Advocaten

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite