Allocatiefunctie niet vereist bij uitzendovereenkomst

Allocatiefunctie niet vereist bij uitzendovereenkomst

29november2016
AVDR-AR015

Uitspraak: Hoge Raad 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356

Op 4 november 2016 oordeelde de Hoge Raad over de vraag of een allocatiefunctie een vereiste is om te kunnen spreken van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW. De literatuur en rechtspraak was hierover al jaren verdeeld. Zo kwamen het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en gerechtshof Amsterdam eerder tot tegenstrijdige conclusies. Met het oordeel van de Hoge Raad is de knoop nu doorgehakt. Wat is het oordeel van de Hoge Raad en wat betekent dit voor de praktijk?

Achtergrond

In deze zaak ging het om een geschil tussen de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten ('StiPP') en Care4Care ('C4C'). StiPP is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds voor uitzendondernemingen in Nederland. Als uitzendonderneming worden beschouwd ondernemingen die zich voor ten minste 50 procent van hun premieplichtig loon werknemers uitzenden op basis van een uitzendovereenkomst. C4C is een organisatie die consultancy opdrachten uitvoert in de medische sector en daarbij medisch personeel ter beschikking stelt aan opdrachtgevers (bijvoorbeeld zorginstellingen).

StiPP stelde zich op het standpunt dat C4C als uitzendonderneming moet worden beschouwd, omdat zij op basis van uitzendovereenkomsten personeel bij opdrachtgevers plaatst. Het gevolg daarvan is dat C4C volgens StiPP onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en dus pensioenpremie aan StiPP dient af te dragen. C4C betoogde daarentegen dat voor een uitzendonderneming is vereist dat de onderneming een allocatiefunctie vervult. Met andere woorden, er kon volgens C4C alleen sprake zijn van een uitzendonderneming als zij tot doel heeft gesteld het bij elkaar brengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid. Dat was volgens C4C bij haarzelf niet het geval.  Om die reden kon C4C volgens haarzelf geen uitzonderneming zijn en dus ook niet onder de werkingssfeer van StiPP vallen.

De kantonrechter gaf in eerste aanleg C4C gelijk, maar het gerechtshof Amsterdam oordeelde in het voordeel van StiPP.

Het oordeel van de Hoge Raad

Het arrest van de Hoge Raad is kort en krachtig. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat uit de tekst van artikel 7:690 BW volgt dat alle arbeidsovereenkomsten waarbij de werknemer door de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van die derde, uitzendovereenkomsten zijn. In de wettekst wordt niet gesproken over het vereiste van een allocatiefunctie. Evenmin ziet de Hoge Raad daar in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten voor.

Met andere woorden, het maakt dus niet uit of de werkgever een allocatiefunctie vervult. Voldoende is dat de uitzendonderneming bedrijfsmatig personeel onder leiding en toezicht van een derde laat werken uit hoofde van een opdrachtovereenkomst tussen de uitzendwerkgever en die derde.

Conclusie

Het gevolg van het arrest is dat diverse 'overige' driehoeksrelaties, zoals payrolling en detachering, nu eveneens als uitzendovereenkomst kunnen kwalificeren. Dit voor zover de toezicht en leiding bij de inlener rust. De reikwijdte van het verplichtstellingsbesluit van StiPP wordt hiermee vergroot nu meer ondernemingen als uitzendonderneming moeten worden beschouwd. Zo ook C4C, die met dit oordeel verplicht is de pensioenpremies af te dragen.

Een pleister op de wonde voor C4C en de overige 'nieuwe' uitzendondernemingen, is dat zij nu ook gebruik kunnen maken van het relatief werkgeversvriendelijke regime van de uitzendovereenkomst (artikel 7:691 BW). Bij een uitzendovereenkomst is de ketenregeling immers verruimd en kan een uitzendbeding worden opgenomen.

De Hoge Raad plaatste tot slot nog een interessante opmerking bij zijn oordeel. Voor zover het bovenstaande zou leiden tot resultaten die zich niet laten verenigen met hetgeen de wetgever bij de regeling van de art. 7:690-7:691 BW voor ogen heeft gestaan, is het in de eerste plaats aan de wetgever om hier grenzen te stellen. Wél kan een rechter artikel 7:691 BW zo uitleggen dat strijd met de ratio van die regels wordt voorkomen, dan wel dat een beroep op die regels naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 BW). Het is dus nog maar afwachten of de pleister blijft plakken.

 

Arbeidsrecht
mr. Guus Lemmen

mr. Guus Lemmen

advocaat CMS Derks Star Busmann N.V.

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

website by Primosite