Treedt de gedetacheerde werknemer in dienst bij de opdrachtgever…?

Treedt de gedetacheerde werknemer in dienst bij de opdrachtgever…?

06oktober2016
AVDR-AR007

Uitspraak: Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2016, ECLI:NLRBMNE:2016:5183

In de uitspraak van 28 september 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland zich uitgelaten over de geldigheid van een relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van een werknemer die door zijn werkgever bij een klant van de werkgever werd gedetacheerd.

 

De werknemer was voor onbepaalde tijd in dienst bij een organisatieadviesbureau (de opdrachtnemer) dat zich bezig houdt met advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering. De gedetacheerde werknemer was bij de opdrachtgever geplaatst in een rol waarin hij veranderprocessen diende door te voeren (change management). De arbeidsovereenkomst bevatte een relatiebeding – inclusief boetebeding – op grond waarvan het de werknemer kort gezegd niet was toegestaan om bij relaties of klanten van de werkgever gehonoreerde werkzaamheden te verrichten. In de inzetovereenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer is afgesproken dat de leiding en toezicht over de werknemer bij de opdrachtgever zou rusten. In april 2016 heeft de opdrachtgever aan de opdrachtnemer bekend gemaakt de gedetacheerde werknemer in dienst te willen nemen. De opdrachtnemer heeft hiermee niet ingestemd.

De gedetacheerde werknemer vordert in kort geding schorsing van het relatiebeding, zodat het hem na het einde van de arbeidsovereenkomst vrij stond om in dienst te treden bij de opdrachtgever, zonder dat hij de boete verschuldigd zou zijn. De opdrachtnemer voert een aantal in kort geding gebruikelijke formele verweren en vordert in reconventie nakoming van het relatiebeding op straffe van een dwangsom.

De voorzieningenrechter veegt de standpunten van de opdrachtnemer van tafel en oordeelt (in kort geding, dus voorlopig) dat het relatiebeding nietig is, zodat het de werknemer vrij staat in dienst te treden van de opdrachtgever. De eenvoud van dit oordeel komt terug in de motivering daarvan. De voorzieningenrechter legt de casus langs de meetlat van het recht van de Europese Unie en daarmee krijgt dit vonnis direct een toegevoegde waarde voor de rechtspraktijk.

Uitgangspunt van het oordeel is de Wet Allocatie Arbeidskrachten Door Intermediairs (WAADI). De WAADI is van toepassing als de uitgeleende (of gedetacheerde) werknemer werkzaam is onder leiding en toezicht van de opdrachtgever. In deze casus stond dit buiten twijfel, omdat deze voorwaarde expliciet in de inzetovereenkomst was opgenomen. Ook de feitelijke omstandigheden waaronder werd gewerkt, duidden erop dat de leiding en toezicht bij de opdrachtgever lag.

Onder de paraplu van de WAADI valt ook het belemmeringsverbod, dat is opgenomen in artikel 9a WAADI. Het betreft hier een implementatie van Unierecht (Richtlijn 2008/104/EG – de Uitzendrichtlijn). Het artikel bepaalt dat de werkgever geen belemmeringen in de weg mag leggen voor een arbeidsovereenkomst tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld. Elk beding dat een belemmering opwerpt is nietig, behalve een beding waarin wordt bepaald dat de opdrachtgever een vergoeding is verschuldigd aan de opdrachtnemer. Het relatiebeding valt niet onder deze uitzondering.

De opdrachtnemer stelde nog dat het belemmeringsverbod uitsluitend van toepassing is bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter maakt ook korte metten met deze stelling, onder verwijzing naar de preambule en artikel 6 lid 2 van de Uitzendrichtlijn. Daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 9a WAADI blijkt ook niet anders. Het relatiebeding is – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – nietig, zodat de werknemer geen belang heeft bij de gevorderde schorsing. De voorzieningenrechter verbiedt de opdrachtnemer de in de arbeidsovereenkomst opgenomen boete te incasseren (totdat een bodemrechter anders oordeelt).

Dit vonnis bevat een prachtige toepassing van het belemmeringsverbod, zoals het recht van de Europese Unie dat voorschrijft. Leiding en toezicht zijn daarbij twee elementen die het voor een opdrachtnemer, detacheerder of uitzendorganisatie onmogelijk kunnen maken om een relatiebeding (of ander contractueel beding om bij een opdrachtgever in dienst te treden) overeen te komen. Het is de vraag of in vergelijkbare gevallen leiding en toezicht anders kan worden ingekleurd. Dit zal per geval verschillend zijn, maar lijkt voor een opdrachtnemer de enige uitweg te zijn om een werknemer aan een relatiebeding te kunnen houden. Als pleister op de wond kan de opdrachtnemer jegens de opdrachtgever aanspraak maken op de vergoeding uit de inzetovereenkomst, maar dat is een andere rechtsverhouding dat de arbeidsovereenkomst die in deze kwestie onderwerp van geschil was. Bovendien wordt hiervan in de literatuur gesteld dat die vergoeding niet hoger zou mogen zijn dan de daadwerkelijk gemaakte wervingskosten.

 

Arbeidsrecht
mr. Tjeerd Hoekstra

mr. Tjeerd Hoekstra

advocaat CMS Derks Star Busmann N.V.

Reageer op dit artikel

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.

Reacties op dit artikel

Hans Meijer

30 2018 20 45
Goed artikel. Ik heb wel een vraag. In arbeidsovereenkomsten staat vaak de bepaling dat een werknemer de afkoopsom van een leaseauto betaalt als hij op eigen initiatief vertrekt. Is zo'n bepaling ook een belemmering als bedoeld in artikel 9a WAADI?

website by Primosite