Nieuw 29 juni 2026 6 minuten

Aanwijzingsbevoegdheid van de raadsheer-commissaris bij enquêteonderzoeken

In deze video van Ondernemingskamer Uitgesproken gaat het over de aanwijzingsbevoegdheid van de raadsheer-commissaris bij enquêteonderzoeken.

Inhoud

In deze video van Ondernemingskamer Uitgesproken gaat het over de aanwijzingsbevoegdheid van de raadsheer-commissaris bij enquêteonderzoeken. Hoever reikt die bevoegdheid, en wie bepaalt wat een onderzoeker wel of niet mag onderzoeken?

In deze beschikking van de Ondernemingskamer van 9 maart 2026 worden de belangrijkste uitgangspunten uiteengezet.

Het gaat in dit geval om een onderzoek naar MVD Europe, een joint venture in de distributie van IT-producten. De Ondernemingskamer gelastte in juni 2024 een onderzoek naar het beleid van MVDE en trof daarbij meerdere voorzieningen. Inmiddels is MVDE ontbonden en haar onderneming gestaakt.

Procedure en verzoeken
Naarmate het onderzoek vordert, ontstaat er verschil van inzicht tussen de onderzoeker en aandeelhouder B. De onderzoeker heeft aanwijzingen dat informatie bewust aan haar wordt onttrokken. Ze wil ook gebruik maken van zakelijke correspondentie die via privé-telefoons en privé-e-mailadressen verloopt.

Aandeelhouder B meent juist dat het onderzoek strikt beperkt moet blijven tot de onderzoeksperiode uit de eerste beschikking – met einddatum 7 maart 2024.

Beide partijen wenden zich tot de raadsheer-commissaris voor een aanwijzing op grond van artikel 2:350 lid 4 BW. Aandeelhouder B wil beperkingen opleggen. De onderzoeker vraagt om verduidelijking en de ruimte om haar werk te kunnen doen.

De aanwijzingsbevoegdheid; hoe zit het?
Gedurende het onderzoek wordt toezicht gehouden door een raadsheer-commissaris. De raadsheer-commissaris kán de onderzoeker aanwijzingen geven. Maar de begrenzing is duidelijk: de onderzoeker blijft verantwoordelijk voor opzet en uitvoering van het onderzoek. De raadsheer-commissaris stuurt bij – hij treedt niet in de plaats van de onderzoeker.

Reikwijdte
Een vaak voorkomend discussiepunt tussen partijen is de reikwijdte van het onderzoek. Hiervoor is niet alleen het dictum van de eerste beschikking relevant, maar ook de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures. In artikel 2.1 van de Leidraad staat dat de reikwijdte wordt bepaald door het dictum van de beschikking, gelezen in samenhang met de bijbehorende overwegingen. Hier zit dus al enige ruimte in.

In de Leidraad staan vervolgens twee andere nuanceringen die in de rechtspraak vaker worden herhaald. De eerste nuancering staat in art. 2.2 van de Leidraad. De onderzoeker mag latere ontwikkelingen betrekken, als die voldoende samenhangen met het voorwerp van het onderzoek. De tweede nuancering staat in art. 2.3 van de Leidraad. De onderzoeker heeft een brede beoordelingsruimte, ook voor feiten die niet rechtstreeks aan het gelaste onderzoek ten grondslag lagen.

In deze beschikking noemt de RC onder verwijzing naar art. 7.2 van de Leidraad een derde nuancering, die ik nog niet eerder op deze manier voorbij heb zien komen. Als betrokkenen proberen om informatie te verbergen, bijvoorbeeld door bestanden te wissen, WhatsApp-gesprekken te verwijderen of fysieke informatie te vernietigen – dan kunnen deze pogingen wél tot het onderzoek behoren, ook als die pogingen dateren van ná de formele einddatum. De reden is tweeledig. Allereerst moet de onderzoeker in haar verslag inzicht geven in hoe zij haar werk heeft kunnen doen – en wie informatie weggooit, maakt daar deel van uit. Maar ook: diezelfde feiten kunnen op zichzelf al voldoende samenhang hebben met het gelaste onderzoek om inhoudelijk te worden onderzocht.

Het wissen van bewijs is daarmee niet alleen een kwestie van verslaglegging – het kan een zelfstandige ingang zijn voor het onderzoek zelf. De onderzoeker mag concrete aanwijzingen van informatieonttrekking in haar onderzoek betrekken en moet in het verslag inzicht geven in de gevolgen die zij daaraan verbindt.

Correspondentie en verschoningsrecht
Dan een ander interessant punt: de door de onderzoeker geselecteerde correspondentie. Aandeelhouder B wil dat berichten verkregen via privé-telefoons buiten het onderzoek blijven, en beroept zich op een afgeleid verschoningsrecht.

De raadsheer-commissaris is echter helder: het is niet aan aandeelhouder B om te bepalen welke documenten relevant zijn. Dat is aan de onderzoeker. Privé-apparaten kunnen kwalificeren als gegevensdrager van de rechtspersoon, afhankelijk van de wijze waarop informatie binnen MVDE werd uitgewisseld. In dit geval hebben de betrokkenen ingestemd met inzage – en onder die omstandigheid staat het de onderzoeker vrij die informatie te verwerken, mits proportioneel en zorgvuldig.

Het beroep op het verschoningsrecht faalt ook. Communicatie die met een advocaat of notaris is uitgewisseld, waarvan openbaarmaking de vertrouwenssfeer zou doorbreken, kan uiteraard achterwege blijven. WhatsApp-gesprekken met anderen over die adviezen vallen hier niet automatisch onder.

Welke lessen kan je hieruit nou trekken voor de praktijk?

  1. Ten eerste: de einddatum van de onderzoeksperiode is geen harde grens. Latere feiten kunnen worden betrokken – en pogingen om informatie te verbergen kunnen dat zelfstandig rechtvaardigen.
  2. Ten tweede: het is niet aan een partij om te bepalen wat de onderzoeker mag zien. Wie meent dat de onderzoeker buiten haar boekje gaat, kan zich tot de RC wenden, maar die toetst wel op hoofdlijnen, niet op documentniveau.
  3. Ten derde: privé-telefoons en e-mailadressen kunnen kwalificeren als gegevensdragers van de rechtspersoon. Als het zorgvuldig en proportioneel ingezet, staat de AVG een goed georganiseerd onderzoek doorgaans niet in de weg.

Rechtsgebied(en)

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken