prof. mr. Jacques Sluysmans
partner Van der Feltz advocaten N.V., hoogleraar Radboud Universiteit Nijmegen, onteigeningsrecht
Een jonge vrouw is in 2011, toen zij 14 jaar oud was en kind van gescheiden ouders, gedurende enige tijd aangemerkt als verdachte wegens mogelijke betrokkenheid bij een gewapende overval op de toenmalige partner van haar vader.
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is zij ruim twee dagen in verzekering gesteld.
Uiteindelijk is de strafzaak tegen haar geseponeerd.
Het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om in een dergelijk geval de strafrechter te verzoeken om een vergoeding van schade vanwege de inverzekeringstelling. Van die mogelijkheid maakt de vrouw gebruik, zij het dat zij dat verzoek nadrukkelijk beperkt tot immateriële schade, omdat zij materiële schade in een aparte civiele procedure wil vorderen.
De sector strafrecht van de rechtbank kent aan de vrouw een forfaitair begrote vergoeding toe van € 630,-.
De vrouw start vervolgens de al aangekondigde civiele procedure.
In zo’n procedure kan een gewezen verdachte bij de burgerlijke rechter op grond van onrechtmatige overheidsdaad vergoeding vorderen van schade die hij heeft geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden.
Een van de, in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde, gronden om aan te nemen dat sprake is van onrechtmatig strafrechtelijk optreden, is dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken, omdat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht. Daarbij moet de rechter met terughoudendheid de afweging toetsen die de officier van justitie heeft gemaakt bij het uitvaardigen van een bevel tot inverzekeringstelling. De burgerlijke rechter kan slechts ingrijpen indien de keuzes die de officier van justitie heeft gemaakt, in redelijkheid niet navolgbaar zijn.
In eerste aanleg wordt de vordering afgewezen.
Het hof gaat er eens goed voor zitten en oordeelt dat het bevel tot inverzekeringstelling in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Redengevend voor dit oordeel is onder meer dat volgens het hof bij een betere planning, en bij meeweging van de belangen van de toen minderjarige vrouw, het verhoor binnen een veel kortere termijn had kunnen worden afgerond, dan de ruim twee dagen van de inverzekeringstelling.
Dit oordeel van het hof sneuvelt echter spectaculair in cassatie.
De Hoge Raad wijst er allereerst op dat het de rechter niet vrij staat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.
In dit geval laten de stukken van het geding volgens de Hoge Raad geen andere conclusie toe dan dat de vrouw niet heeft gesteld dat haar verhoor bij een betere planning sneller had kunnen worden afgerond, en dat het bevel tot inverzekeringstelling mede daarom onrechtmatig is.
Door die omstandigheid dan toch aan zijn oordeel ten grondslag te leggen, heeft het hof dus gehandeld in strijd met art. 24 Rv en is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Daar komt bij dat het hof in de ogen van de Hoge Raad ook een verkeerde beoordelingsmaatstaf hanteert. Het oordeel van het hof behelst immers een eigen oordeel van het hof over de noodzaak van de inverzekeringstelling, waarmee het hof niet de volgens de hiervoor al genoemde vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dit soort gevallen vereiste terughoudendheid in acht heeft genomen.
Daarmee is de beker voor het hof nog niet leeg. Ook de vrouw scoort in cassatie nog een punt.
De vergoedingsregeling die is voorzien in het Wetboek van Strafvordering, dus de regeling op basis waarvan de vrouw al op gronden van billijkheid een forfaitaire vergoeding voor immateriële schade ontving, staat volgens de Hoge Raad niet eraan in de weg dat een gewezen verdachte (alsnog) een vordering instelt bij de burgerlijke rechter uit hoofde van onrechtmatige daad. Anders dan het hof oordeelt, kan de vrouw dus ook eventuele immateriële schade alsnog vorderen aan de burgerlijk rechter vorderen, zij het dat een eventueel toe te wijzen schadebedrag moet worden verminderd met de al van de strafrechter ontvangen forfaitaire vergoeding.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam. Van het oordeel van het Haagse hof is maar weinig heel gebleven, zodat in die verwijzingsprocedure het debat weer tamelijk open lijkt te liggen.