Nieuw 24 maart 2026 7 minuten

Geen nieuwe uitzondering op het verrekeningsverbod

Op 13 maart 2026 wees de Hoge Raad een belangwekkend arrest over de reikwijdte van het verrekeningsverbod van artikel 54 Faillissementswet in een rekening-courantverhouding.

Inhoud

Op 13 maart 2026 wees de Hoge Raad een belangwekkend arrest over de reikwijdte van het verrekeningsverbod van artikel 54 Faillissementswet in een rekening-courantverhouding. Meer specifiek betreft het de vraag of een bank haar schuld aan de rekeninghouder, wegens binnengekomen betalingen, mag verrekenen met vorderingen op de rekeninghouder die nadien zijn ontstaan doordat de bank uitgaande betalingen voor de rekeninghouder heeft verricht.

1. Artikel 54 faillissementswet

Ter achtergrond eerst het volgende. Artikel 54 Faillissementswet gaat over verrekening in het zicht van faillissement. Het artikel bepaalt dat als iemand voorafgaand aan de faillietverklaring een schuld aan, of een vordering op de gefailleerde, van een derde heeft overgenomen, hij die niet mag verrekenen als hij bij de overname niet te goeder trouw was.

In het arrest Amro Bank/THB heeft de Hoge Raad bepaald dat als een bank zich door creditering van de rekening tot schuldenaar van de rekeninghouder maakt op een moment dat hij niet te goeder trouw was, artikel 54 Faillissementswet zich ertegen verzet dat de bank zich in het faillissement van de rekeninghouder succesvol op verrekening kan beroepen. 

In Mulder/CLBN is een uitzondering op artikel 54 faillissementswet aanvaard. Namelijk in het geval de rekeninghouder een betaling ontvangt die strekt tot voldoening van een vordering die stil aan de bank is verpand. De Mulder/CLBN-uitzondering moet volgens vaste jurisprudentie restrictief worden uitgelegd.

2. Kern van de zaak

De gefailleerde vennootschap hield een bankrekening met een kredietlimiet aan bij de Rabobank. Tussen de rekeninghouder en de Rabobank was sprake van een rekening-courantverhouding in de zin van artikel 140 van Boek 6 BW. Als gevolg daarvan worden de inkomende en uitgaande betalingen van rechtswege verrekend door creditering of debitering van het saldo van de bankrekening.

Voorafgaand aan 14 april 2020 had de door de vennootschap aangehouden bankrekening een negatief saldo. Op 14 april 2020 ontving de rekeninghouder een bedrag op zijn rekening. Na de bijschrijving en de daaropvolgende verrekening in rekening-courant bleef het saldo van de rekening negatief. De binnengekomen betaling had geen betrekking op een vordering die aan de bank was verpand. De Mulder/CLBN-jurisprudentie is daarmee niet relevant voor deze casus. 

In de daaropvolgende periode verwerkte de Rabobank in opdracht van de rekeninghouder een aantal uitgaande betalingen. Als gevolg van deze uitgaande betalingen liep het debetsaldo van de bankrekening verder op. Kort daarna is de vennootschap op eigen verzoek failliet verklaard.

Aan het Hof was de vraag voorgelegd of deze zaak aanleiding geeft voor een uitzonderingsgrond op het verrekeningsverbod van artikel 54 Faillissementswet. Specifiek ging het om de vraag of een schuld van de bank aan de rekeninghouder, als gevolg van het op de bankrekening ontvangen bedrag, kan worden verrekend met vorderingen van de bank, die zijn ontstaan doordat de bank na de bijschrijving uitgaande betalingen heeft verricht. 

In hoger beroep hebben partijen procesafspraken gemaakt, op basis waarvan als uitgangspunt geldt dat de Rabobank op 14 april 2020, het moment van de bijschrijving, niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw.

Het hof oordeelde dat het verrekeningsverbod zich niet verzet tegen de verrekening van de vordering van de bank die is ontstaan door het verrichten van uitgaande betalingen met de eerder ontstane schuld van de bank. Kort gezegd overwoog het hof dat geen sprake was van ongerechtvaardigde bevoordeling door de bank, omdat de ontstane kredietruimte werd gebruikt om nieuwe uitgaande betalingen namens de schuldenaar te verrichten.

De curator stelt dat het hof ten onrechte is afgeweken van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad en daarmee ten gunste van banken een nieuwe uitzondering op de verrekeningsregels heeft gecreëerd. Volgens de curator zou deze nieuwe uitzondering onder andere in strijd zijn met het vaste uitgangspunt dat banken geen uitzonderingspositie mogen ontlenen aan hun positie in het betalingsverkeer.

3. Het verrekeningsverbod en uitgaande betalingen

De Hoge Raad honoreert het cassatieberoep van de curator. 

De Hoge Raad overweegt hiervoor eerst dat in het arrest Amro Bank/THB is beslist dat art. 54 Faillissementswet zich ertegen verzet dat een bank die niet te goeder trouw was bij de creditering van de rekening, zich in het faillissement van de rekeninghouder met succes op verrekening beroept. Dit wordt mede gemotiveerd met het argument dat het girale betalingsverkeer geen uitzonderingspositie aan  banken mag verschaffen om zich via verrekening afzonderlijk te kunnen verhalen in het zicht van een faillissement of surseance van betaling. Deze beslissing komt erop neer dat voor de toepassing van art. 54 Fw de creditering van de rekening bij de bank die het gevolg is van een storting door een derde, wordt aangemerkt als – dan wel gelijkgesteld met – een schuldoverneming door de bank. 

De Hoge Raad beslist vervolgens dat voor gevallen zoals in dit arrest aan de orde komt geen aanleiding bestaat om op deze hoofdregel een uitzondering te aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt daarom ook het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

4. Praktische implicaties

De praktische implicaties van dit arrest kunnen groot zijn. Omdat  geen saldering is toegestaan in de zogenoemde 54-periode en alle bijschrijvingen dan onverkort moeten worden afgedragen, loopt de bank een aanzienlijk risico dat de uitvoering van betaalopdrachten van een schuldenaar in moeilijkheden voor haar eigen rekening komt. De bank heeft dan niet enkel een schuld tot afdracht van de bijgeschreven bedragen, maar ook een vordering uit hoofde van de uitgevoerde betaalopdrachten die zij niet met het negatieve saldo kan verrekenen.

Mede vanwege de onzekerheid over het achteraf bepalen van het peilmoment, kan dit ertoe leiden dat banken, in gevallen waarin ook maar de geringste kans op een faillissement dreigt, het zekere voor het onzekere nemen door kredieten op te zeggen en de uitvoering van betaalopdrachten te weigeren zodra de dekking onder bestaande zekerheden tekort dreigt te schieten.

Uit het arrest volgt dat de Rabobank deze onzekerheid ook in de cassatieprocedure naar voren bracht. De Hoge Raad laat zich in het arrest echter niet uit over het risico op onnodige faillissementen. A-G Snijders geeft in zijn conclusie wat meer kleur en beredeneert dat dit risico zal meevallen omdat een bank te goeder trouw blijft tot zij geen behoorlijke reden meer heeft om aan te nemen dat het de onderneming bij voortgezette financiering nog zal redden. 

5. Conclusie

Het arrest biedt een belangrijke verduidelijking voor de praktijk. Het verrekeningsverbod in het zicht van faillissement geldt onverkort voor betalingen die in de 54-periode binnenkomen. Het maakt niet uit of die betalingen vervolgens zijn gebruikt voor uitgaande betalingen.

Op 13 maart 2026 besliste de Hoge Raad in Rabobank/Louwerier q.q. over dezelfde kwestie. De Hoge Raad verwees hiervoor naar dit besproken arrest. 

Rechtsgebied(en)

Project(en)

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken