In het Drijfmest-arrest zijn door de Hoge Raad nadere oriëntatiepunten gegeven met betrekking tot de vraag of een verboden gedraging (van een natuurlijk persoon) heeft plaatsgevonden “in de sfeer van de rechtspersoon”. Naast het beschikken over en aanvaarden van de strafbare gedraging door de rechtspersoon (criteria uit IJzerdraad-arrest 1954) is volgens het Drijfmest als oriëntatiepunt aan te merken: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, - de gedraging past in de normale bedrijfsuitoefening van de rechtspersoon, - de gedraging dienstig is geweest aan de rechtspersoon in uitoefening van het bedrijf.


Spreker(s)