mr. Alejandro Gonzalez
managing associate arbitration Linklaters LLP
In deze video het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2026. Het arrest houdt verband met de tweeconclusieregel in hoger beroep. Meer in het bijzonder gaat het arrest in op de vraag wanneer je een grief, verweer of stelling nader mag uitwerken nadat de memoriewisseling in hoger beroep al heeft plaatsgevonden.
Juridisch kader
De tweeconclusieregel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Dat past bij de gedachte dat het hoger beroep een voorzetting is van de vorige instantie. Het debat moet in hoger beroep geconcentreerd worden gevoerd en het geschil moet zo spoedig mogelijk worden afgedaan. Daarom mag van partijen worden verlangd dat zij hun grieven, verweren en eventuele nieuwe feiten of stellingen in hun eerste memorie naar voren brengen. Hetzelfde geldt voor een eisverandering- of vermeerdering. De tweeconclusieregel is strak, maar niet zo strak dat hierop geen uitzonderingen bestaan. Zo is een verruiming van het debat in hoger beroep toegestaan als de wederpartij daarmee ondubbelzinnig instemt, of als na de memoriewisseling feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen en de nieuwe grief ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van achterhaalde of onjuist gebleken gegevens wordt beslist.
De tweeconclusieregel staat ook toe dat grieven, verweren en stellingen op een later moment worden uitgewerkt. Maar dat mag alleen als aan twee voorwaarden is voldaan. Eén: de gronden moeten behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht. Twee: de nadere uitwerking moet voldoende samenhangen met de aanvankelijk aangevoerde gronden en het daarover gevoerde partijdebat. Of daarvan sprake is, is een kwestie van uitleg van de gedingstukken. Dat is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Laat de appelrechter een nadere uitwerking toe? Dan moet hij controleren of de wederpartij zich daarover voldoende heeft kunnen uitlaten. Zo nodig biedt hij daarvoor alsnog gelegenheid.
De kern van de zaak in cassatie
Een aannemingsbedrijf heeft in opdracht van een Hoogheemraadschap een wateraflaatconstructie gerealiseerd. Jaren later blijkt de constructie minder capaciteit te hebben dan afgesproken. In cassatie draait het met name om de vraag of het hof had moeten ingaan op een stelling van het aannemingsbedrijf die voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd. Die stelling is dat het Hoogheemraadschap aanleiding had om nader onderzoek te doen en zo snel mogelijk te klagen over het vermeende gebrek, zodat het Hoogheemraadschap aan haar klachtplicht had kunnen voldoen.
Volgens eiseres tot cassatie heeft het hof de tweeconclusieregel onjuist toegepast. Het hof had die stelling niet buiten beschouwing mogen laten. De eiseres tot cassatie stelt dat het gaat om een nadere uitwerking van een al eerder ingenomen standpunt. De tweeconclusieregel staat daaraan niet in de weg, aldus de eiseres tot cassatie.
Maar A-G Lindenbergh ziet dat anders. Volgens de A-G hoefde het hof die stelling niet te behandelen. Uit het procesdossier blijkt namelijk dat de stelling pas ná de memorie van antwoord voor het eerst is aangevoerd. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling geen inhoudelijke discussie gevoerd over deze kwestie. Het hof heeft volgens de A-G terecht geoordeeld dat geen sprake is van een toelaatbare nadere uitwerking, zodat de stelling buiten beschouwing mocht blijven.
De Hoge Raad volgt de A-G. De Hoge Raad heeft niet veel woorden nodig. Hij oordeelt dat het hof terecht de stelling niet heeft aangemerkt als een nadere uitwerking van het beroep op schending van de klachtplicht, maar als een nieuwe feitelijke grondslag. En die mocht na de memoriewisseling in hoger beroep niet meer erbij. Het beroep in cassatie is daarom tevergeefs voorgesteld.
Conclusie
Volgens de Hoge Raad was de nieuwe stelling geen nadere uitwerking van een eerder gevoerd verweer, maar een nieuwe feitelijke grondslag. En die was te laat. Dat onderscheid is smaller dan veel partijen denken. Want samenhang met wat eerder is aangevoerd is niet hetzelfde als een toelaatbare nadere uitwerking.
De tweeconclusieregel brengt mee dat een geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de memorie van grieven is vastgelegd. Hij hoeft geen rekening ermee te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. De wederpartij moet simpelweg weten waar zij aan toe is. En dat belang weegt zwaar.
In de praktijk zien we het steeds opnieuw. Partijen voeren bij de mondelinge behandeling stellingen aan die niet eerder zijn aangevoerd. De gedachte is dan dat de stelling samenhangt met wat eerder is gezegd. Misschien is dat ook zo. Maar samenhang is niet voldoende. De stelling moet binnen de al omlijnde rechtsstrijd blijven en voldoende zijn verdisconteerd in het partijdebat.
De les is simpel. In hoger beroep heeft u in beginsel één kans om uw volledige verhaal neer te zetten. Gebruik die volledig. Alles wat u bij de mondelinge behandeling nog wilt aanvoeren, moet herleidbaar zijn tot iets wat al eerder kenbaar en behoorlijk in het geding is gebracht. Wie dat niet doet, speelt met vuur.