mr. Bart Fleuren
counsel Linklaters LLP
De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 twee arresten gewezen over het Europese mededingingsrecht. Deze arresten, voorzien van conclusies van AG Drijber, zien op follow-on procedures over het lift- en roltrapkartel, dat door de Europese Commissie in 2007 is beboet. Het eerste arrest, dat hier wordt behandeld, gaat over de norm voor verwijzing naar de schadeprocedure. Het tweede arrest gaat over verjaring en wordt een volgende keer behandeld.
1. Kern van de zaak
Waar ging de zaak over? Stichting de Glazen Lift vorderde een verklaring voor recht dat twee karteldeelnemers (het Finse Kone en Amerikaanse Otis) in strijd hebben gehandeld met het Europese kartelverbod. De Stichting treedt op namens 40 woningbouwcorporaties die in totaal circa 7.000 liften in gebruik hebben. Deze corporaties hebben hun vorderingen aan de Stichting gecedeerd.
Ook vraagt de Stichting verwijzing naar de schadeprocedure. De vorderingen zijn toegewezen in eerste aanleg en hoger beroep. In cassatie gaat het, voor zover relevant, enkel om de vraag wat is vereist voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure (art. 612 e.v. Rv). Het hof oordeelde dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure reeds voldoende is dat een woningcorporatie ten minste één transactie heeft afgesloten met een karteldeelnemer tijdens de inbreukperiode.
In de zaak spelen twee botsende opvattingen over wat in dit soort zaken is vereist voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Volgens karteldeelnemers Kone en Otis is het hof te toegefelijk geweest. Zij klagen onder meer dat het hof heeft miskend dat de (enkele) onrechtmatige deelname aan het kartel onvoldoende is voor aansprakelijkheid jegens een woningcorporatie. Daarvoor is tevens vereist dat met een woningcorporatie een transactie is aangegaan waarover een meerprijs is berekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie(s) maakt deel uit van de grondslag waarop de aansprakelijkheid berust, en zonder die vaststelling is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk. Dat betekent dat in de hoofdprocedure volgens Kone en Otis per woningcorporatie en per transactie de aansprakelijkheid moet worden vastgesteld ter zake waarvan een schadevergoedingsverplichting is ontstaan.
Nu het hof dat heeft nagelaten is zijn oordeel onjuist, aldus Kone en Otis. Volgens de Stichting is het hof evenwel te streng geweest. De Stichting klaagt dat het hof heeft miskend dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende zou zijn dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of gebruik had.
2. Het oordeel van de Hoge Raad
Wat oordeelt nu de Hoge Raad hierover? De Hoge Raad verwerpt beide cassatieberoepen. Het hof is niet te streng of te toegefelijk geweest.
De Hoge Raad zet, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest uit 2006 en 2013, het juridisch kader uiteen. De rechter kan, aldus de Hoge Raad, een vordering tot schadevergoeding op de voet van art. 612 Rv naar de schadestaatprocedure verwijzen als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar moet vaststaan, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk moet aannemelijk zijn en, (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure moet onmogelijk zijn.
De hoofdprocedure dient er dus toe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. In de schadestaatprocedure kunnen slechts die schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde normschending als grondslag voor de aansprakelijkheid. Die schadeposten behoeven niet al in de hoofdprocedure te zijn gesteld, zodat ook nieuwe schadeposten in de schadestaat opgenomen kunnen worden (art. 615 Rv), aldus de Hoge Raad.
Het hof heeft geoordeeld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone en Otis is gelegen in hun onrechtmatige deelname aan het kartel. Daarvan uitgaande, en tevens ervan uitgaande dat het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad, kon het hof voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende achten dat tussen een karteldeelnemer en een woningcorporatie – direct of indirect – ten minste één transactie heeft plaatsgevonden tijdens de inbreukperiode. De grondslag voor aansprakelijkheid jegens de desbetreffende woningcorporatie staat met die ene transactie immers vast en ten aanzien van die woningcorporatie is daarmee tevens de mogelijkheid van schade als gevolg van de onrechtmatige deelname aan het kartel voldoende aannemelijk.
De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatiemiddel. Het hof is dus niet te toegefelijk geweest naar het oordeel van de Hoge Raad. Ook is het hof niet te streng geweest, anders dan de Stichting betoogt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het voor de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade niet volstaat dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom had. Immers kan een lift buiten de inbreukperiode zijn gekocht, en kan afkomstig zijn van een ander dan een karteldeelnemer, of door een ander dan een karteldeelnemer kan zijn onderhouden of gemoderniseerd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad merkt terzijde op dat voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet van belang is of een benadeelde bij een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod (art. 101 VWEU) één schadevergoedingsvordering heeft voor alle transacties, dan wel voor elke transactie een afzonderlijke schadevergoedingsvordering. Daarom behoeft de beantwoording van de prejudiciële vragen die de Hoge Raad in andere zaken aan het Hof van Justitie van de EU heeft voorgelegd, niet te worden afgewacht.
3. Conclusie
Wat is de impact van dit arrest? Van belang is om de rechtsoverwegingen van de Hoge Raad te bezien in hun context, namelijk zaken waarin vaststaat dat onrechtmatig is gehandeld nu de Commissie een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat een bepaalde partij gedurende een bepaalde periode heeft deelgenomen aan een kartel. Dan is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende dat per eisende partij sprake is geweest van één transactie tijdens de inbreukperiode met de aangesproken karteldeelnemer.
Het gaat om follow-on procedures. Dat ligt in ieder geval anders, wanneer geen sprake is van een follow-on procedure, maar van een standalone-actie, waarin er geen besluit is genomen, waarin deelname aan een kartel is vastgesteld.
Ook is de vraag wat eisers opschieten met deze uitspraak. Het lijkt in follow-on zaken relatief eenvoudig om een verwijzing naar de schadestaatprocedure te bewerkstelligen. Maar dat betekent nog niet dat daadwerkelijk schade is geleden, omdat uit de verwijzing enkel blijkt dat aannemelijk is dat er mogelijk schade is gelden. In de schadestaatprocedure kan dus altijd nog geoordeeld worden dat de schade nul is, ook voor de woningcorporaties waarmee transacties hebben plaatsgevonden.
Een volgende keer wordt ingegaan op het verjaringsleerstuk in mededingingsrechtelijke zaken.