Nieuw 2 februari 2026 7 minuten

Verjaring en stuiting in follow-on procedures

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 twee arresten gewezen over het Europese mededingingsrecht.

Inhoud

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 twee arresten gewezen over het Europese mededingingsrecht. Deze arresten, voorzien van conclusies van A-G Drijber, zien op follow-on procedures over het lift- en roltrapkartel dat door de Europese Commissie in 2007 is beboet. Een vorige keer heb ik het eerste arrest behandeld, dat ging over de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Vandaag zal ik het hebben over het tweede arrest, dat gaat over verjaring en wie deze kan stuiten.

1. Kern van de zaak

Waar gaat de zaak over? De Europese Commissie heeft in 2007 een onherroepelijk geworden beschikking een boete opgelegd voor karteldeelname aan Kone, één van de vijf grote producenten van liften en roltrappen.

122 gelaedeerden hebben hun vorderingen op Kone gecedeerd aan Stichting Elevator Cartel Claim. De stichting vordert een verklaring voor recht dat Kone in strijd heeft gehandeld met (het huidige) artikel 101 VWEU, onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gelaedeerden en hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.

De rechtbank heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van 14 gelaedeerden geoordeeld dat hun vorderingen zijn verjaard. Het hof heeft dat oordeel, voor zover in cassatie relevant, bekrachtigd.

In cassatie zijn twee punten in het bijzonder van belang. Ten eerste de vraag wat het aanvangsmoment van de verjaring is. En ten tweede de vraag of stuiting door één entiteit binnen een economische eenheid doorwerkt naar andere entiteiten uit die economische eenheid.

2. Aanvang van de verjaring

Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een schadevergoedingsvordering verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

Het hof oordeelt dat potentiële gelaedeerden over voldoende informatie beschikten om daadwerkelijk een schadevergoedingsvordering in te stellen reeds op het moment dat de openbare versie van de Beschikking op de website van de Europese Commissie werd geplaatst. In ieder geval hadden zij voldoende informatie op het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad.

De stichting klaagt in cassatie, met een beroep op Kartelschaderichtlijnconforme interpretatie, dat de verjaring pas zou moeten gaan lopen nadat de beschikking definitief is geworden en dus niet al bij publicatie van de samenvatting. De benadeelden zouden volgens de stichting dan namelijk nog onvoldoende zekerheid hebben om een vordering in te stellen.

De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Het is aan de nationale rechter bij wie een kartelschadevordering aanhangig is, om te bepalen vanaf welk tijdstip redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de benadeelde persoon kennis heeft genomen van de informatie die noodzakelijk is om zijn schadevordering wegens schending van de mededingingsregels in te kunnen stellen. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat dit tijdstip in beginsel samenvalt met de datum van bekendmaking van de samenvatting van het desbetreffende besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie, mits de inbreuk op dat moment is geëindigd. Het is niet uitgesloten dat de benadeelde persoon eerder kennisneemt van de gegevens die noodzakelijk zijn om de schadevordering te kunnen instellen.

De Kartelschaderichtlijn is temporeel niet van toepassing, maar het hof is tot dezelfde uitkomst gekomen als waartoe toepasselijkheid van de Kartelschaderichtlijn zou hebben geleid.

Daarnaast klaagt de Stichting dat het hof het subjectieve karakter van de bekendheid als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW heeft miskend door aan te nemen dat, kort gezegd, die publicatie daadwerkelijke bekendheid van de benadeelden met de Beschikking oplevert.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof het subjectieve karakter van de door artikel 3:310 lid 1 BW bedoelde bekendheid echter niet miskend. Het hof heeft aan de beschikbaarheid van de openbare informatie het vermoeden ontleend dat de gelaedeerden de bedoelde bekendheid hadden en de stichting heeft dit vermoeden volgens het hof niet ontzenuwd.

Beide klachten over de aanvang van de verjaring falen dus.

3. Stuitingshandelingen

De tweede vraag ziet op de vraag of een stuitingshandeling van een entiteit binnen een economische eenheid de verjaring kan stuiten voor andere entiteiten binnen diezelfde economische eenheid. Het begrip ‘economische eenheid’ komt uit het Europese mededingingsrecht: het rechtssubject van het mededingingsrecht is namelijk een ‘onderneming’ in de zin van een economische eenheid, niet een juridische entiteit.

Het hof oordeelt dat naar Nederlands recht een schadevergoedingsvordering toekomt aan een persoon of rechtspersoon en níét aan een economische eenheid. Wie een schadevergoedingsvordering heeft kan de verjaring daarvan stuiten, en het is ook mogelijk dat een ander dit voor hem doet. Maar een persoon of rechtspersoon kan niet stuiten voor anderen zonder uitdrukkelijk te vermelden namens wie hij nog meer optreedt. Het kan namelijk niet van de schuldenaar worden verlangd rekening te houden met vorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid enkel vanwege stuiting door één van hen.

De Stichting klaagt dat het doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid. De Hoge Raad gaat ook hier niet in mee, onder verwijzing naar de redenen genoemd in de conclusie van A-G Drijber.

De A-G overweegt dat het begrip ‘economische eenheid’ ook van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen in het kader van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Echter, de arresten waarin dit was geoordeeld gingen over de vraag tegen welke rechtspersoon een vordering tot vergoeding van kartelschade kan worden ingesteld. En dus niet: door wie. Het nationale recht bepaalt wie in een concreet geval de procesbevoegdheid heeft om een vordering in te stellen. Het doeltreffendheidsbeginsel maakt dit niet anders.

4. Conclusie

Dit arrest verduidelijkt twee punten die spelen in kartelschadezaken. Ten eerste over verjaring: de rechter kan, zoals ook volgt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie, aan publicatie van de samenvatting van de Beschikking het vermoeden ontlenen dat mogelijk benadeelden daadwerkelijk bekend waren met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW. Bij voldoende betwisting kan de beweerdelijk benadeelde tot tegenbewijs worden toegelaten.

Ten tweede over de stuting. Een rechtspersoon kan niet zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke rechtspersonen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere rechtspersonen stuiten op grond van het feit dat beide rechtspersonen tot dezelfde economische eenheid behoren.

Van de schuldenaar kan niet worden verlangd rekening te houden met vorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid enkel vanwege stuiting door één van hen. Dit lijkt mij een terechte uitspraak, die past in de bestendige lijn van de Hoge Raad waaruit blijkt dat de stuiting is bedoeld zodat de schuldenaar nog de beschikking kan houden over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren. Dat moet wél duidelijk zijn, om welke schuldeiser het gaat.

Rechtsgebied(en)

Project(en)

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken