Nieuw 19 januari 2026 5 minuten

Verwijzingshof treedt buiten grenzen van de rechtsstrijd

Het arrest dat wordt besproken is een tweede cassatieprocedure in dezelfde zaak.

Inhoud

Het arrest dat wordt besproken is een tweede cassatieprocedure in dezelfde zaak. Inhoudelijk gaat de zaak over het inroepen van een retentierecht. De tweede cassatieprocedure is echter vooral interessant vanwege processuele redenen. Het komt regelmatig voor dat er voor een tweede keer cassatieberoep wordt ingesteld. In dit geval gaat de Hoge Raad in op de vraag welke beslissingen na verwijzing als vaststaand gelden. Er bestaan weinig wettelijke regels over de verwijzingsprocedure. De verwijzingsprocedure vormt een voortzetting van de procedure in hoger beroep. Het verwijzingshof heeft in dit geval niet goed voor ogen gehad dat beslissingen die in de eerste cassatieprocedure niet waren bestreden, na verwijzing vaststaan. Daardoor is het verwijzingshof buiten de rechtsstrijd getreden.

Voordat wordt toegekomen aan de bespreking van het tweede arrest van de Hoge Raad, wordt er eerst ingegaan op de vaststaande feiten en het procesverloop.

De zaak gaat over de bouw van een complex met twintig appartementen. De aannemer heeft daartoe een aannemingsovereenkomst gesloten met een Vastgoedonderneming. Een van de appartementen is in 2010 geleverd aan de zus van de bestuurder van die vastgoedonderneming. De aannemer heeft vanaf 2011 retentierecht uitgeoefend op dat appartement én op het gehele complex. De zus van de bestuurder heeft het appartement nog in 2011 geleverd aan de bestuurder en die heeft het aan zijn partner doorgeleverd. De Vastgoedonderneming is in 2011 failliet verklaard. Maar nadat de bestuurder een borgstelling afspraak met de aannemer, is het retentierecht op het complex opgeheven. Het retentierecht op het appartement is gehandhaafd. In 2016 is het appartement aan de zus teruggeleverd. De zus heeft vervolgens de aannemer het nog verschuldigde bedrag betaald. Tot zover een weergave van de feiten.

De zus heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de aannemer vanaf 15 april 2015 onrechtmatig handelt door afgifte van het appartement aan haar te weigeren. Ook is gevorderd dat het retentierecht niet mag blijven voortbestaan.

De rechtbank heeft alle vorderingen van de zus afgewezen. In hoger beroep is door Hof Arnhem-Leeuwarden slechts de vordering toegewezen de aannemer te gebieden alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de uitoefening van het retentierecht niet te laten voortbestaan.

In de eerste cassatieprocedure heeft de Hoge Raad dit arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar Hof ‘s -Hertogenbosch. Dat verwijzingshof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat de aannemer vanaf 24 september 2019 onrechtmatig heeft gehandeld door afgifte van het appartement aan de zus te weigeren.

In de tweede cassatieprocedure heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat na cassatie het verwijzingshof beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De verwijzingsrechter is ook gebonden aan alle in cassatie niet of tevergeefs bestreden eindbeslissingen uit de uitspraak waartegen cassatieberoep was ingesteld. In dit geval waren door de rechtbank alle vorderingen van de zus afgewezen. In hoger beroep werd één van de vorderingen alsnog toegewezen door Hof Arnhem-Leeuwarden, maar de andere vorderingen niet. Tegen het niet-toewijzen van die andere vorderingen is de zus in de eerste cassatieprocedure niet opgekomen. Die afwijzing was daarmee onherroepelijk zodat het verwijzingshof die vordering volgens de Hoge Raad niet alsnog kon toewijzen.

De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af. Dat komt niet vaak voor, maar in dit geval is voor de Hoge Raad duidelijk wat er moet worden beslist. Het verwijzingshof heeft geoordeeld dat de zus geen belang meer had bij toewijzing van de vorderingen die ertoe strekten dat het retentierecht werd opgeheven. De aannemer had de feitelijke macht over het appartement immers al prijsgegeven na het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden. Daardoor is het retentierecht tenietgegaan. De zus heeft het appartement reeds aan een derde verkocht en geleverd.

De Hoge Raad constateert verder dat vaststaat dat de zus op 24 september 2019 heeft aangeboden te betalen hetgeen nog verschuldigd was op grond van de aannemingsovereenkomst met betrekking tot het appartement. De aannemer was vanaf dat moment verplicht het retentierecht op te heffen voor zover dat berustte op haar vordering uit de aannemingsovereenkomst met betrekking tot het appartement. Daaruit volgt dat toen de rechtbank op 16 januari 2019 vonnis wees, de aannemer haar retentierecht nog wel mocht uitoefenen. De zus is dus terecht veroordeeld in de proceskosten van de rechtbankprocedure.

Vanaf 24 september 2019 was de aannemer echter verplicht het retentierecht op te heffen. Daarom wordt de aannemer door de Hoge Raad wel veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Per saldo bekrachtigt de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank. De vorderingen van de zus zijn dus onherroepelijk afgewezen. Al met al een leerzaam arrest voor iedereen die wel eens te maken heeft met een procedure na verwijzing.

Rechtsgebied(en)

Project(en)

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken