mr. Thomas van der Sanden
advocaat Van der Feltz advocaten
Overgangsrecht Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, toepasselijkheid verkorte cassatietermijn bij voorlopige bewijsverrichtingen
Vandaag in cassatie uitgesproken: de eerste uitspraak over het overgangsrecht bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. De Hoge Raad constateert dat er een leemte zit in dat overgangsrecht en hij beslist dat de ingevoerde verkorte cassatietermijn bij voorlopige bewijsverrichtingen niet van toepassing is op een inzageverzoek of een andere voorlopige bewijsverrichting dat is ingediend op basis van het oude recht.
De zaak draait om een geschil tussen een makelaar in de superjachten-branche en een Nederlandse scheepswerf die luxe superjachten ontwikkelt en bouwt. Kern van het conflict is of de scheepswerf de makelaar commissie verschuldigd is voor de bouw van een superjacht voor een klant.
De makelaar heeft halverwege 2022 conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van de scheepswerf en heeft kort daarop op de voet van het toenmalige artikel 843a Rv afschrift of inzage verzocht in correspondentie en bescheiden die zich bevinden onder de scheepswerf. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, waarna de makelaar halverwege 2023 hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank heeft ingesteld. Het hof heeft bij beschikking van 11 maart 2025 de afwijzing van het artikel 843a Rv-verzoek bekrachtigd. De makelaar heeft tegen deze beschikking op 11 juni 2025, dus met inachtneming van een termijn van drie maanden, cassatieberoep ingesteld.
In cassatie heeft de scheepswerf een ontvankelijkheidsincident opgeworpen. Volgens de scheepswerf heeft de makelaar het cassatieberoep niet tijdig ingesteld. Met de per 1 januari 2025 in werking getreden Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is de cassatietermijn voor inzageverzoeken die als voorlopige bewijsverrichting zijn gedaan, verkort tot acht weken, in plaats van de gebruikelijke drie maanden. Op grond van het overgangsrecht zou dit nieuwe recht van toepassing zijn op het cassatieberoep.
Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad overweegt dat de inzageregeling zoals ingevoerd door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht afwijkt van hetgeen gold vóór de inwerkingtreding van deze wet. Het nieuwe recht maakt onderscheid tussen informatieverzoeken tijdens een lopende procedure en informatieverzoeken voorafgaand aan een procedure. Laatstgenoemde categorie maakt onderdeel uit van de met de wet geïntroduceerde voorlopige bewijsverrichtingen.
Voor deze voorlopige bewijsverrichtingen geldt dat tegen een beslissing op een inzageverzoek dat is gedaan bij wijze van voorlopige bewijsverrichting, anders dan onder het oude recht, binnen vier weken hoger beroep dient te worden ingesteld. Voor andere voorlopige bewijsverrichtingen staat geen hogere voorziening meer open, tenzij de rechter anders bepaalt. De Hoge Raad oordeelt dat de in dit verband geldende cassatietermijn het dubbele van de appeltermijn bedraagt, dus acht weken. Dat is conform de hoofdregel: als de hogerberoepstermijn korter is dan drie maanden, is de cassatietermijn het dubbele daarvan.
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de toepasselijke overgangsbepaling uit de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. De Hoge Raad overweegt dat de overgangsbepaling sterk lijkt op het overgangsrecht bij de vorige grote herziening van het procesrecht in 2002. Op basis daarvan moet de overgangsbepaling volgens de Hoge Raad zo worden uitgelegd dat indien na 1 januari 2025 een rechtsmiddel is ingesteld, in de daarmee ingeleide instantie het nieuwe recht van toepassing is.
Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord welke termijn geldt in het geval het rechtsmiddel werd ingesteld onder het oude recht en op het moment dat uitspraak wordt gedaan in die instantie de nieuwe wet in werking is getreden. De Hoge Raad constateert dat in het toepasselijke overgangsrecht niet is voorzien in een specifieke regeling voor die situatie. Terwijl die situatie hier aan de orde is.
De Hoge Raad oordeelt dat nu een specifieke overgangsrechtelijke bepaling ontbreekt, moet worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. Het uitgangspunt is dan dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak. Dit uitgangspunt brengt volgens de Hoge mee dat alsna 1 januari 2025 wordt beslist op een inzageverzoek of een andere voorlopige bewijsverrichting dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende gehele procedure, ook in eventuele volgende instanties, het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.
In de onderhavige zaak heeft de makelaar het inzageverzoek gedaan onder oud recht, zodat op de termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van het hof eveneens het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing is. De cassatietermijn bedroeg dus drie maanden. De makelaar heeft dus tijdig cassatieberoep ingesteld.
Kortom: de verkorte cassatietermijn bij voorlopige bewijsverrichtingen is niet van toepassing op een inzageverzoek (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat is ingediend op basis van het oude recht. Voor overige situaties geldt wel het nieuwe recht.