Hoge Raad 5 april 2024 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2024 Hoge Raad 15 maart 2024 Hoge Raad 15 maart 2024 Gerechtshof Den Haag 12 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:CRVB:2021:344 Centrale Raad van Beroep 15 februari 2021

ECLI:NL:CRVB:2021:344

Datum: 15-02-2021

Onderwerp: Ziekmelding

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht, Arbeidsrecht

Vindplaats: Avdr.nl

Niet ter discussie staat dat appellante terecht als belanghebbende is aangemerkt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:467 en ECLI:NL:CRVB:2016:468). Het standpunt van appellante zoals in hoger beroep is ingenomen, wordt gevolgd. Hoewel een verzekeringsarts in beginsel bevoegd is om op grond van eigen bevindingen, dossieronderzoek en anamnese tot een zelfstandig oordeel te komen, volgt uit de overweging dat de rapporten van de verzekeringsartsen onvoldoende inzichtelijk en consistent zijn om een afdoende onderbouwing te geven voor het standpunt dat ex-werknemer per 1 april 2016 doorlopend ongeschikt was voor zijn maatgevende arbeid in de functie van productiemedewerker (heftruckchauffeur). Dit betekent dat het Uwv ex-werknemer mogelijk ten onrechte over de periode van 5 maart 2015 tot 4 februari 2017 aaneengesloten ongeschikt heeft geacht in het kader van de ZW. Voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldig onderzoek berust als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbreekt. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. De Raad zal het Uwv opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

mr. Kerstin Hopman

advocaat Advocatenkantoor Kerstin Hopman