Centrale Raad van Beroep 24 december 2020

ECLI:NL:CRVB:2020:3440

Datum: 24-12-2020

Onderwerp(en): VARIA

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht

De Raad heeft na de behandeling ter zitting op 11 juli 2019, zoals neergelegd in de onder het procesverloop genoemde brief aan partijen van 25 juli 2019, als volgt geoordeeld, om welke reden het onderzoek is heropend: In de door appellante gestelde feiten en omstandigheden ziet de Raad aanleiding om te komen tot het oordeel dat, objectief gezien, sprake is van buitensporige werkomstandigheden. De hardhorendheid van appellante is een objectief gegeven dat bij het college bij indiensttreding van appellante bekend was en waarmee het college als werkgever rekening heeft te houden. Van een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid is hier geen sprake. Samenvattend was er volgens Koerselman op 18 januari 2010 sprake van een causaal verband tussen de buitensporige werkomstandigheden en de toenmalige psychische arbeidsongeschiktheid. Uit wat is overwogen volgt dat sprake is van schending van de zorgplicht. Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van appellante. Het college is dus aansprakelijk voor de restschade die door schending van de zorgplicht is veroorzaakt. Appellante heeft nog niet onderbouwd welke restschade zij heeft geleden. Zij moet hiertoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, zodat het college ook hierover een besluit kan nemen. Het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het college zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Proceskostenveroordeling college.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: