ECLI:NL:CRVB:2026:731
Rechtbank:Centrale Raad van Beroep
Datum: 03-06-2026
Rechtsgebiedenregister: Bestuursrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht in stand gelaten. Het bezwaar is niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken ingediend. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift hem niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend.
Uitspraak:
25/2159 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2025, 25/9 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaar is niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken ingediend. Volgens appellant is zijn bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de overschrijding van de bezwaartermijn op goede gronden niet verschoonbaar heeft geacht en het bezwaar daarom terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 19 oktober 2023 heeft het Uwv appellant kenbaar gemaakt dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 16 oktober 2023 weer betaalbaar wordt gesteld.
1.2.
Bij brief van 16 september 2024, door het Uwv ontvangen op 30 september 2024, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 oktober 2023.
1.3.
Bij brief van 21 oktober 2024 heeft het Uwv gevraagd naar de reden van de te late indiening van het bezwaar. Aangegeven is dat de gemachtigde van appellant telefonisch op 22 november 2023 navraag heeft gedaan naar de betalingen van de uitkering en heeft verwezen naar het besluit van 19 oktober 2023. Op 15 april 2024 heeft het Uwv een kopie van het primaire besluit aan appellant toegezonden. Eerst op 2 oktober 2024, bedoeld is 30 september 2024, heeft het Uwv het bezwaarschrift van appellant ontvangen.
1.4.
Bij besluit van 25 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 oktober 2023 gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat er binnen de gestelde termijn tot en met 18 november 2024 geen reactie op de brief van 21 oktober 2024 is ontvangen. Het bezwaar wordt dan ook niet in behandeling genomen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank met verwijzing naar de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht overwogen dat het Uwv de Wajong-uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2022 heeft beëindigd, omdat appellant niet heeft gereageerd op verzoeken om een levensbewijs toe te sturen. Op 16 oktober 2023 heeft het Uwv het benodigde formulier ingevuld ontvangen, waarna de uitkering per die datum weer betaalbaar is gesteld. Op 30 september 2024 heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit ontvangen. Het Uwv heeft met een brief van 21 oktober 2024 gevraagd naar de reden voor het te late indienen van het bezwaar. Omdat appellant hier niet op heeft gereageerd, heeft het Uwv het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk verklaard. De stelling van appellant dat hij niet op tijd bezwaar heeft kunnen maken, omdat hij het primaire besluit niet had ontvangen, wordt niet gevolgd door de rechtbank. In de brief van het Uwv van 21 oktober 2024 is namelijk vermeld dat de gemachtigde van appellant met het Uwv heeft gebeld en heeft gevraagd waarom de uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2022 tot 16 oktober 2023 niet wordt uitbetaald. Hierbij heeft zij verwezen naar het primaire besluit. Ook heeft op 19 juli 2024 een begeleider van appellant met het Uwv gebeld en in zijn vraagstelling verwezen naar dit besluit. Appellant moet daarom volgens de rechtbank eerder op de hoogte zijn geweest van het primaire besluit en had daarom eerder bezwaar kunnen maken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij psychisch ziek is en daardoor niet helder kan denken. Hij heeft voor mei 2022 geen levensbewijs ontvangen en sindsdien ook niet meer. De post werkte niet goed, onder meer door COVID. Dat is hem niet te verwijten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door het Uwv terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift is verzonden na afloop van de wettelijke bezwaartermijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar is.
5.2.
De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift hem niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend. De onder 3 beschreven omstandigheden wijzen niet op persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Dat bij appellant sprake is van ziekte maakt de beoordeling niet anders. Appellant heeft zich kort na het primaire besluit laten vertegenwoordigen door een gemachtigde die namens hem contact heeft opgenomen met het Uwv. Niet valt in te zien op grond waarvan appellant niet in staat zou zijn geweest om – eventueel met hulp van zijn vertegenwoordigers – tijdig bezwaar te maken.
Conclusie en gevolgen
5.3.
Uit wat onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz