Centrale Raad van Beroep 8 juli 2021

ECLI:NL:CRVB:2021:1674

Datum: 08-07-2021

Onderwerp(en): WIA - aanvraag - > TVB2

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht

Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat het hoger beroep zich toespitst op de beëindiging van de ZW-uitkering per 9 maart 2018. De Raad zich zal dan ook daartoe beperken. In de uitspraak van 30 oktober 20192 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv te allen tijde bevoegd is een ZW-beoordeling uit te voeren. Dat betekent dat het Uwv ook in deze zaak bevoegd was te onderzoeken of appellant voldeed aan de voorwaarden voor het recht op ziekengeld na het eerste ziektejaar en, nadat was vastgesteld dat appellant daaraan niet meer voldeed, over te gaan tot beëindiging van het ziekengeld per 9 maart 2018. Dat deze beoordeling en beëindiging hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de WIA-aanvraag van appellant en een (door de verzekeringsarts) ingezette WIA-beoordeling, waarbij het Uwv dus niet is toegekomen aan een inhoudelijke WIA-beoordeling per einde wachttijd, maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat het Uwv zijn bevoegdheid om een ZW-beoordeling uit te voeren en het ziekengeld te beëindigen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Dat het Uwv, zoals appellant heeft gesteld, niet aan zijn re-integratieverplichtingen in het kader van de ZW zou hebben voldaan, is voor de beoordeling van het recht op ziekengeld na het eerste ziektejaar niet van belang. Ook van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is in dit geval geen sprake. Wat appellant in hoger beroep aan medische gronden heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. In hoger beroep heeft appellant, ter onderbouwing van zijn stelling dat de PTSS al op de data in geding aanwezig was en dat het Uwv dus zijn psychische beperkingen heeft onderschat, informatie overgelegd van 13 november 2019 van klinisch psycholoog Schalken. In rapporten van 3 december 2019 en 7 mei 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar het in de beroepsfase overgelegde rapport van 22 mei 2019, overtuigend gemotiveerd dat deze niet nader onderbouwde conclusie geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Gelet op wat is overwogen, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente is bij deze uitkomst geen plaats.