Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2020

ECLI:NL:GHAMS:2020:1343

Datum: 12-05-2020

Onderwerp(en): Appel tegen tussenbeslissing

Rechtsgebiedenregister: Arbeidsrecht

Het hof oordeelt evenals de rechtbank dat de bank niet het recht had om de posities van de cliënt te liquideren op de wijze waarop zij dat heeft gedaan, namelijk op dezelfde dag dat de bank aan de cliënt had geschreven de klantrelatie te zullen beëindigen, en in weerwil van de daarbij gedane mededeling dat de portefeuille onder prudent toezicht door de bank zal worden afgebouwd, terwijl zij die liquidatie die middag al in twee uur had gedaan, zonder dat voor het in allerijl liquideren van de portefeuille een spoedeisende zwaarwichtige reden was gegeven.

Het hof acht de mogelijkheid van schade als gevolg van het liquideren van de portefeuille aannemelijk en verwijst naar de schadestaatprocedure.

De cliënt heeft bij haar incidenteel appel een gerechtvaardigd belang, ook al strekt de grief niet tot een ander dictum.

Spreker(s)

web3.jpg
mr. Herman van der Meer

senior raadsheer Gerechtshof Amsterdam

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: