ECLI:NL:GHAMS:2020:2561

Datum: 29-09-2020

Onderwerp: Schade als gevolg van fraude niet gekweten

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht, Ambtenarenrecht, Arbeidsrecht

Wetsartikelen: Art. 3:52 BW, Art. 843a Rv., Art. 7:900 BW, Art. 6:228 BW, Art. 6:230 BW

Vindplaats: Extern

Geding na cassatie en verwijzing (Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:569). Vordering wegens dwaling met betrekking tot een beëindigingsovereenkomst waarbij de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst werd beëindigd zonder toekenning van een beëindigingsvergoeding. Omvang van de behandeling na cassatie en verwijzing. Datum waarop beëindigingsovereenkomst is gesloten. Geen belang bij grief over verrassingsbeslissing. Geen verjaring van een eventuele (maar door hof niet aangenomen) nieuwe grondslag van de dwalingsvordering. Bewijswaardering. Wetenschap van overtollig worden van werknemer bij werkgever. Geen uitsluitend toekomstige omstandigheid. Spreekplicht van werkgever. Bevestigende beantwoording van de vraag of werknemer bij juiste wetenschap de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Omvang van de door de kantonrechter toegekende beëindigingsvergoeding. Vraag of de voor het eerst in appel ingestelde vordering van wettelijke rente over die vergoeding is verjaard en per wanneer die rente verschuldigd is. Geen kostenveroordeling in (niet noodzakelijk) voorwaardelijk incidenteel appel. Incidentele vordering ex art. 843a Rv: gebondenheid aan (tussen)arrest van Haagse hof ter zake vóór cassatie en verwijzing. Toepasselijk wetsartikelen: art. 3:52 BW, art. 6:228 BW, art. 6:230 BW, art. 7:900 BW, art. 843a Rv.

Ga naar uitspraak