Rechtbank Amsterdam 18 mei 2026 Gerechtshof Den Haag 28 april 2026 Rechtbank Limburg 22 april 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026 Hoge Raad 17 april 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:GHARL:2023:346 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2023

ECLI:NL:GHARL:2023:346

Rechtbank:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum: 16-01-2023

Onderwerp: Te laat ingediende gronden

Rechtsgebiedenregister: Burgerlijk procesrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

VOF appellante is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep omdat in het verzoekschrift van 23 maart 2022 niet de gronden (grieven) zijn opgenomen waarop het berust. De alsnog ingediende gronden zijn niet binnen de termijn van hoger beroep ingediend.


Uitspraak:

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.308.477/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle 9494520)

beschikking van 16 januari 2023

in de zaak van

de vennootschap onder firma [appellante],
die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
en die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als verwerende partij samen met haar vennoten [vennoot1] en [vennoot2] ,
hierna VOF [appellante] te noemen,
vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Geurts,

tegen:

[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats1] ,
en die bij de kantonrechter optrad als verzoekende partij,
hierna [geïntimeerde] te noemen,
vertegenwoordigd door mr. T. Martirosyan.

1De procedure bij de kantonrechter

Hoe de procedure bij de kantonrechter is verlopen, blijkt uit de beschikking van de kantonrechter (in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle) van 27 december 2021.

2Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van 23 maart 2022 met producties;
- de memorie van grieven van 11 april 2022;
- het verzoek van het hof van 11 april 2022 aan VOF [appellante] om zich uit te laten over de ontvankelijkheid;
- de schriftelijke reacties van VOF [appellante] daarop van 11 en 19 april 2022.

2.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

3De kern van de zaak

3.1.
VOF [appellante] is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep omdat in het verzoekschrift van 23 maart 2022 niet de gronden (grieven) zijn opgenomen waarop het berust. De alsnog ingediende gronden zijn niet binnen de termijn van hoger beroep ingediend.

4De beoordeling in hoger beroep

4.1.

[geïntimeerde] is op 19 april 2021 als stratenmaker in dienst getreden van VOF [appellante] op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk tot 18 november 2021. Op 25 augustus 2021 heeft VOF [appellante] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. Dit ontslag heeft VOF [appellante] op 26 augustus 2021 schriftelijk aan [geïntimeerde] bevestigd.

4.2.
In de beschikking van 27 december 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat VOF [appellante] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW en de kantonrechter heeft VOF [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen:

€ 278,71 aan transitievergoeding;

een gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de periode van 26 augustus 2021 tot 1 oktober 2021;

€ 3.832,- aan billijke vergoeding.

De kantonrechter heeft het tegenverzoek van VOF [appellante] niet inhoudelijk beoordeeld omdat aan de voorwaarde waaronder dat was ingediend (dat komt vast te staan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend) niet is voldaan.

4.3.
Op 23 maart 2022 is bij het hof een verzoekschrift in hoger beroep binnengekomen waarin VOF [appellante] hoger beroep instelt tegen de beschikking van de kantonrechter van 27 december 2021. Bij dat verzoekschrift heeft VOF [appellante] de stukken van de procedure bij de kantonrechter gevoegd.

4.4.
In het beroepschrift verzoekt VOF [appellante] om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en de verzoeken van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en het (voorwaardelijke) tegenverzoek van VOF [appellante] alsnog toe te wijzen op ‘nader aan te voeren gronden’. Op 11 april 2022 heeft het hof van VOF [appellante] een ‘memorie van grieven’ ontvangen, waarin de gronden van het hoger beroep uiteen zijn gezet.

4.5.
VOF [appellante] is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. De termijn voor het instellen van hoger beroep is drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak (artikel 358 lid 2 Rv). De dag van de uitspraak is niet in deze termijn begrepen, zodat 27 maart 2022 de laatste dag van de hoger beroepstermijn van de beschikking van 27 december 2021 is. Op die datum had bij het hof een verzoekschrift binnen moeten zijn dat aan de eisen van de wet voldoet. Het verzoekschrift van 23 maart 2022 voldoet niet aan de wettelijke vereisen omdat in het verzoekschrift niet de gronden van het hoger beroep zijn opgenomen. Artikel 278 lid 1 Rv schrijft in samenhang met artikel 359 Rv (op straffe van niet-ontvankelijkheid) voor dat een verzoekschrift in hoger beroep de gronden moet bevatten waarop het berust. VOF [appellante] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen op die regel, in die zin dat in eerste instantie kon worden volstaan met een zogeheten blanco beroepschrift en de gronden daarvoor nog in een later stadium konden worden aangevoerd. Die feiten en/of omstandigheden zijn het hof ook niet (anderszins) gebleken. Daarom is VOF [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. De gronden zijn pas op 11 april 2022 door het hof ontvangen en dus buiten de appeltermijn. Een reden waarom de gronden niet tijdig konden worden ingediend heeft VOF [appellante] niet gegeven.

5De beslissing

Het hof:

verklaart VOF [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en P.S. Bakker en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2023.

Spreker(s)

mr. Arjan van den Steenhoven

advocaat en partner Salomons Beelaerts Advocaten, advocaat Hoge Raad