Gerechtshof Den Haag 28 juli 2026 Gerechtshof Den Haag 28 juli 2026 Hoge Raad 17 juli 2026 Hoge Raad 17 juli 2026 Hoge Raad 17 juli 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:GHDHA:2026:2309 Gerechtshof Den Haag 28 juli 2026

ECLI:NL:GHDHA:2026:2309

Rechtbank:Gerechtshof Den Haag

Datum: 28-07-2026

Rechtsgebiedenregister: Burgerlijk procesrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Hoger beroep tegen vonnis van regelrechter (artikel 96 Rv). Appelverbod van artikel 333 Rv. Geen voorbehoud van hoger beroep. Niet-ontvankelijk. Doorbrekingsjurisprudentie is niet van toepassing.


Uitspraak:

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel

Zaaknummer hof: 200.366.101/01
Zaak- en rolnummer rechtbank: 11756641 RP VERZ 25-50467

Arrest van 28 juli 2026 in het incident

in de zaak van

1
[appellant 1],

2. [appellant 2],
beiden wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente],
appellanten in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. R.P.G. Schelvis, kantoorhoudend in Tilburg,

tegen

1
[geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente],
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. J.A.J. Hendriks, kantoorhoudend in Maasdijk.

Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerden]

1De zaak in het kort

1.1

[geïntimeerden] concluderen in dit incident tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in hun hoger beroep. Het hof verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 13 februari 2026, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 27 januari 2026;

het arrest van 14 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast. Deze is niet gehouden.

de incidentele conclusie van [geïntimeerden], met bijlagen;

de incidentele conclusie van antwoord van [appellanten], met bijlagen;

de akte wijziging/vermeerdering van eis van [geïntimeerden], met bijlagen.

2.2

[appellanten] hebben in hun H16-formulier van 15 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de akte van [geïntimeerden] en de daarin opgenomen eisvermeerdering. Volgens hen konden [geïntimeerden] hun eis niet meer vermeerderen, omdat de zaak reeds op de rol voor arrest in incident stond. Daargelaten dat [appellanten] hun bezwaar niet bij akte hebben ingediend, berust het bezwaar op een onjuist uitgangspunt. [geïntimeerden] hebben hun akte ingediend op de rol van 16 juni 2026. De zaak stond toen op de rol voor het fourneren van het procesdossier ten behoeve van het arrest in incident en nog niet voor het wijzen van arrest in incident. Dat is pas daarna, als volgende stap, gebeurd. Het hof staat de akte en de eisvermeerdering van [geïntimeerden] daarom toe.

3Aanleiding voor dit incident

3.1

[appellanten] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar. Tussen hen is een geschil ontstaan over de vraag waar de huidige erfgrens tussen hun achtertuinen loopt en de gevolgen daarvan. [geïntimeerden] hebben in dat kader een beroep gedaan op verkrijgende verjaring.

3.2
Bij vonnis van 27 juni 2026 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter als regelrechter op het verzoek van partijen ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring slaagt.

3.3

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

4Het incident

4.1

[geïntimeerden] hebben een incident opgeworpen. Zij betogen dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep en vorderen de veroordeling van [appellanten] in de werkelijke proceskosten van het incident en de hoofdzaak, die zij – na vermeerdering van eis – hebben begroot op € 3.117,28 (exclusief griffierechten) vermeerderd met de wettelijke rente.

4.2

[geïntimeerden] stellen dat de kantonrechter het geschil tussen partijen op de voet van artikel 96 Rv als regelrechter heeft beslecht. Uit artikel 333 Rv volgt dat hoger beroep slechts openstaat indien partijen zich dat beroep uitdrukkelijk hebben voorbehouden. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat beide partijen in het formulier ‘Aanmelding De Regelrechter’ het vakje “nee” hebben aangekruist bij de vraag of zij in hoger beroep willen kunnen gaan. Dit betekent dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde hoger beroep tegen het vonnis. [geïntimeerden] hebben [appellanten] hiervoor meerdere keren schriftelijk gewaarschuwd voordat [appellanten] de zaak aanbrachten bij het hof en ook gewezen op de kostenrisico’s. Dat [appellanten] desondanks het hoger beroep hebben doorgezet, levert misbruik van procesrecht op en rechtvaardigt dat zij de volledige proceskosten van [geïntimeerden] betalen.

4.3

[appellanten] voeren gemotiveerd verweer en concluderen dat zij ontvankelijk zijn, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident (met rente).

5Beoordeling van het incident

5.1
Vast staat dat de kantonrechter het geschil tussen partijen op hun verzoek op de voet van artikel 96 Rv en het Tijdelijk besluit experiment regelrechter heeft behandeld en beslist. Beide partijen hebben daartoe een aanmeldformulier ingediend. Zij hebben daarmee ervoor gekozen om hun geschil niet voor te leggen aan de handelskamer van de rechtbank (de kamer voor andere zaken dan kantonzaken), die in beginsel bevoegd was. Op grond van artikel 333 Rv staat hoger beroep tegen een vonnis als het onderhavige slechts open indien partijen zich dat beroep hebben voorbehouden. Dit betekent dat partijen, toen zij zich tot de kantonrechter wendden, uitdrukkelijk en eensluidend hadden moeten verklaren dat zij zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehielden. Niet in geschil is dat partijen geen voorbehoud hebben gemaakt en uitdrukkelijk hebben afgezien van de mogelijkheid van hoger beroep, doordat zij allebei het vakje “nee” hebben aangekruist op het aanmeldformulier bij de vraag of zij in hoger beroep willen kunnen gaan. Dit betekent dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

5.2

[appellanten] verweren zich primair met de stelling dat artikel 96 Rv niet van toepassing is op deze zaak en dat de kantonrechter heeft nagelaten om dit ambtshalve te onderzoeken, zodat de afstandsverklaring in het aanmeldformulier een wettelijke grondslag mist. Volgens [appellanten] leent een geschil over eigendom van registergoederen en verkrijgende verjaring zich niet voor artikel 96 Rv, omdat de rechtsgevolgen hiervan niet ter vrije bepaling van partijen staan. De regels van verkrijgende verjaring van registergoederen zijn (grotendeels) van dwingend recht en de rechtsgevolgen raken derden via de openbare registers. Om deze derden te beschermen heeft de wetgever gewaarborgd dat inschrijving van een verjaringsverkrijging in de openbare registers een rechterlijke uitspraak vereist en dat de rechter verlof kan verlenen bij buitengerechtelijke rechtsfeiten die voor inschrijving in aanmerking komen (artikel 3:301 leden 1 en 2 BW), aldus nog steeds [appellanten]

5.3
beroepen zich voorts op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel omdat de kantonrechter niet kenbaar het beroep van [appellanten] op stuiting van de verjaring in zijn beoordeling heeft betrokken. Ten slotte beroepen zij zich op schending van het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM. De afstandsverklaring op het aanmeldformulier kan niet worden aangemerkt als een geldige, geïnformeerde wilsovereenstemming in de zin van artikel 333 Rv, omdat [appellanten] door de buurtbemiddelaars mondeling zonder juridische toelichting zijn verwezen naar de regelrechter. Het aanmeldformulier bevat bij de vraag over het hoger beroep een financiële afschrikking (‘de extra kosten zijn veel hoger’) zonder enige uitleg over de juridische betekenis van het doen van afstand van hoger beroep. Van een bewust geïnformeerde afstand van een fundamenteel procesrecht is daarom geen sprake.

5.4
De verweren van [appellanten] komen erop neer dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van artikel 96 Rv is getreden en er sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Daarmee hebben [appellanten] doorbrekingsgronden aangevoerd. Dat kan echter in deze zaak niet leiden tot ontvankelijkheid. De doorbrekingsjurisprudentie is immers in dit geval niet van toepassing. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat alleen een algeheel rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. Artikel 333 Rv sluit alleen hoger beroep uit. Cassatie van een artikel 96 Rv vonnis is niet uitgesloten. Dit betekent dat aan doorbreking van het appelverbod van artikel 333 Rv geen behoefte is, omdat klachten zoals die van [appellanten] in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld. Anders dan [appellanten] stellen, brengt het enkele feit dat zij een beroep hebben gedaan op doorbrekingsgronden niet mee dat zij reeds daarom ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

5.5

[appellanten] hebben zich voor het geval uitsluitend cassatieberoep openstond, op het standpunt gesteld dat verwijzing door het hof naar de Hoge Raad op grond van artikel 72 en 73 Rv aangewezen is om te voorkomen dat zij zonder inhoudelijke beoordeling van hun rechtsmiddel tussen wal en schip raken. Zij menen dat verwijzing op zijn plaats is omdat het hier gaat om een uitzonderlijke processuele situatie waarvoor geen bestendige rechtspraak voorhanden lijkt te zijn. Het hof gaat ook aan dit verweer van [appellanten] voorbij. Krachtens artikel 73 Rv moet de rechter die zich op grond van artikel 72 Rv onbevoegd verklaart, de zaak verwijzen naar de bevoegde rechter. Die situatie doet zich hier niet voor. Het hof is bevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter, maar komt in de onderhavige zaak op grond van artikel 333 Rv niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De verwijzingsregeling van artikel 73 Rv is niet bedoeld voor herstel van een verkeerd gekozen rechtsmiddel.

Conclusie en proceskosten

5.6
Uit het voorgaande volgt dat, nu [appellanten] zich niet het recht van hoger beroep hebben voorbehouden, geen hoger beroep openstaat tegen het vonnis en zij daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun hoger beroep en zullen worden veroordeeld in de proceskosten.

5.7

[geïntimeerden] vorderen betaling van hun volledige kosten. Aan deze vordering leggen zij ten grondslag dat [appellanten] zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van procesrecht in de zin van artikel 3:13 BW, omdat hun hoger beroep zinloos was vanwege het appelverbod van artikel 333 Rv en [geïntimeerden] hen hiervoor van tevoren ook hadden gewaarschuwd. [geïntimeerden] hebben daardoor onnodige kosten moeten maken.

5.8
Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan volgens vaste rechtspraak alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden. Daarbij dient te worden gedacht aan onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht. Hiervan kan sprake zijn indien het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. De eiser moet zijn vordering dan gebaseerd hebben op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. Het enkele feit dat [appellanten] na het instellen van hoger beroep zijn gewezen op artikel 333 Rv brengt nog niet met zich dat zij tegen beter weten in het hoger beroep hebben doorgezet. De proceskosten zullen derhalve worden begroot op basis van het liquidatietarief.

6Beslissing
Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 373,- aan griffierecht, € 1.290,- aan salaris voor de advocaat en € 189,- aan nasalaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;

bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nasalaris van € 98,-.

Dit arrest is gewezen door mr. J.E.H.M. Pinckaers, mr. J.J. van der Helm en mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896 en HR 27 januari 2017,
ECLI:NL:HR:2017:112.

Spreker(s)

mr. Tom van Malssen

advocaat en partner Dirkzwager