Hoge Raad 10 november 2020

ECLI:NL:HR:2020:1765

Datum: 10-11-2020

Onderwerp(en): Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. poging tot zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr). Kan art. 416.2 Sv worden toegepast, nu (op dat moment) gemachtigde raadsman heeft aangevoerd dat oproeping voor nadere tz. in e.a. niet rechtsgeldig is betekend en dat verdachte i.v.m. schade aan zijn bedrijf geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd wil krijgen, terwijl raadsman vervolgens verdediging heeft neergelegd? Hof heeft mede op de grond dat door of namens verdachte geen mondelinge bezwaren tegen vonnis zijn opgegeven, verdachte ex art. 416.2 Sv n-o verklaard in het h.b. In aanmerking genomen dat (op dat moment gemachtigde) raadsman van verdachte ttz. naar voren heeft gebracht dat niet is voldaan aan de betekeningsvoorschriften voor (nadere) zitting van Rb zodat zaak moet worden teruggewezen naar Rb en dat verdachte die in e.a. tot 4 maanden gevangenisstraf was veroordeeld, i.v.m. schade aan zijn bedrijf geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd wil krijgen, is dat oordeel niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG (anders): verdachte heeft onvoldoende belang bij middel.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: