Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2006:AY6940 Hoge Raad 10 oktober 2006

ECLI:NL:HR:2006:AY6940

Datum: 10-10-2006

Onderwerp: Uitbreiding strafwet

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Van door een feitelijkheid dwingen ex art. 242 Sr tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (HR NJ 2000, 125). Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer aan verdachte aanvankelijk te kennen heeft gegeven niet op zijn seksuele toenadering te willen ingaan. Het hof heeft blijkens de bewezenverklaring voorts geoordeeld dat verdachte daaraan opzettelijk voorbij is gegaan door: haar te bevelen 'zich van onderen te gaan wassen'; te zeggen dat hij seks met haar wilde hebben en met haar wilde vrijen; haar te bevelen haar nachtjapon en onderbroek uit te trekken; met zijn lichaam op het slachtoffer te gaan liggen; haar te zeggen dat ze haar benen wijd moest doen en zijn penis in de vagina van het slachtoffer te brengen. Het hof heeft verder kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, gelet op de geringe weerbaarheid van het slachtoffer waarvan verdachte op de hoogte was, de gedragingen en de mondelinge uitlatingen van verdachte een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht opleverden dat het slachtoffer daaraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde aan verdachtes wensen te voldoen. Gelet op het voorgaande is ‘s hofs oordeel dat sprake is geweest van 'door feitelijkheden dwingen' a.b.i. in art. 242 Sr, onjuist noch onbegrijpelijk.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

mr. Linda Kesteloo

docent Vrije Universiteit Amsterdam