Cassatie in het belang der wet: PIJ-maatregel. Art. 77t (oud) Sr. 1. Maximale duur. 2. Gevallen waarin de termijn wel en niet loopt. 3. Moment waarop de maatregel van rechtswege voorwaardelijk eindigt (en de nazorgfase aanvangt). 4. Moment waarop de maatregel voorwaardelijk is geëindigd in geval van vordering tot verlenging van de maatregel. 5. Tijdstip waarop de rechter bijzondere voorwaarden kan stellen.

Ad 1. De maximale duur is drie jaar indien geen verlenging wordt bevolen; vijf jaar indien sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (art. 77t.3 (oud) Sr: verlenging mogelijk), en zeven jaar indien bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Ad 2. In de maximale duur van de PIJ-maatregel is niet begrepen de termijn tussen de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel noch de onvoorwaardelijke beëindiging gedurende welke termijn de jeugdige is gebonden aan de voorwaarden ex art. 77ta.1 en 77tb.3.a (oud) Sr en wél begrepen de termijn gedurende welke de jeugdige is teruggeplaatst in een inrichting ex art. 77tb.3 (oud) Sr. De duur van de terugplaatsing mag de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden.

Ad 3. De PIJ-maatregel eindigt van rechtswege voorwaardelijk één jaar voordat de maximale duur van de maatregel is bereikt. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel (de nazorgfase) kan de rechter de jeugdige voor maximaal een jaar terugplaatsen in een inrichting ex art. 77tb (oud) Sr.

Ad 4. Indien het OM vordert dat de maatregel wordt verlengd vóór het moment waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, blijft de maatregel onvoorwaardelijk voortduren totdat onherroepelijk op de vordering is beslist. In geval van toewijzing geldt als moment waarop de verlenging is ingegaan het moment waarop de voorwaardelijke beëindiging zou zijn ingegaan zonder vordering tot verlenging.. In geval van afwijzing gaat de voorwaardelijke beëindiging in op het moment dat deze zou zijn ingegaan indien geen vordering zou zijn ingediend.

Ad 5. In voorkomende gevallen kan de rechter al vóór aanvang van de voorwaardelijke beëindiging bijzondere voorwaarden ex art. 77tb.3 (oud) Sr stellen.

Spreker(s)

Ad-van-der-Linde.jpg
mr. Ad van der Linden

oud-(kinder)rechter, medewerker Universiteit Utrecht, voorzitter Beroepscollege Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en van de Regionale Klachtencommissie Jeugd Eemland

Bekijk profiel
Paul-Vlaardingerbroek.jpg
prof. mr. Paul Vlaardingerbroek

raadsheer plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag, Emeritus hoogleraar familie- en jeugdrecht Tilburg University

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: