Hoge Raad 12 juni 2018

ECLI:NL:HR:2018:903

Datum: 12-06-2018

Onderwerp(en): Noodweer

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Noodweer(exces). Poging tot doodslag door tijdens uit de hand gelopen ruzie in woning meermalen met mes in bovenlichaam van huisgenote te steken. Art. 45 jo. 287 Sr. Klacht dat de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat aangeefster verdachte slechts "met één hand" bij haar keel heeft gegrepen niet uit de gebezigde b.m. volgt en het Hof ook niet heeft aangegeven aan welke wettige b.m. het deze omstandigheid heeft ontleend, mist feitelijke grondslag. Daarnaast miskent de klacht dat de opvatting dat de f&o waarop de rechter zich beroept bij de weerlegging van een beroep op een strafuitsluitingsgrond uit de gebezigde b.m. moeten volgen dan wel dat de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn verwerping het wettige b.m. dient aan te geven waaraan die f&o ontleend, onjuist is (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AW4459). Voorts is de vaststelling dat verdachte een mes heeft gepakt en op intimiderende wijze met een mes in haar hand op aangeefster is afgestapt niet innerlijk tegenstrijdig met de bewijsvoering. Volgt verwerping. CAG: anders.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: