Hoge Raad 12 maart 2013

ECLI:NL:HR:2013:BZ3627

Datum: 12-03-2013

Onderwerp(en): Zeden

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

1. Art. 242 Sr. Dwingen door een feitelijkheid. 2. “Verkrachting” i.d.z.v. art. 242 Sr? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AY7767. Uit de f&o zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat telkens sprake was van ‘door een feitelijkheid dwingen’ i.d.z.v. art. 242 Sr. De enkele omstandigheid dat de verdachte de vader is, is in dit verband onvoldoende, mede gelet op bijv. de zelfstandige strafbaarstelling in art. 249 Sr van ‘ontucht met zijn minderjarig kind’ (vgl. HR LJN AJ1188). Ad 2. Uit HR LJN BZ2653 volgt dat het Hof het bewezenverklaarde wat betreft de tongzoen ten onrechte heeft gekwalificeerd als verkrachting. Dat geldt echter niet voor hetgeen door het Hof overigens is bewezenverklaard, omdat van die gedraging - het brengen en duwen van vingers tussen de schaamlippen - in redelijkheid niet kan worden gezegd dat die niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging (vgl. HR LJN BK6910).

Spreker(s)

mr.-Rob-ter-Haar.jpg
mr. Rob Ter Haar

plaatsvervangend rechter Rechtbank Overijssel, docent Universiteit Utrecht

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: