Hoge Raad 12 oktober 2021

ECLI:NL:HR:2021:1449

Datum: 12-10-2021

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Voortraject en etnisch profileren

Rechtsgebiedenregister: Vreemdelingenrecht

Belediging ambtenaar in functie (art. 266.1 jo. 267.2 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr). Is sprake van rechtmatige uitoefening van de bediening, nu verbalisanten onrechtmatig hebben gehandeld omdat er op moment van staandehouding van verdachte geen sprake was van redelijk vermoeden van schuld a.b.i. art. 27 Sv? Voor rechtmatige uitoefening van bediening is (bij staandehouding van een als verdachte aangemerkt persoon) in ieder geval noodzakelijk dat t.a.v. deze persoon redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit a.b.i. art. 27 Sv aanwezig is. Of aan dit vereiste is voldaan, moet worden vastgesteld o.b.v. feiten en omstandigheden die bekend waren op moment van staandehouding. ’s Hofs oordeel dat t.t.v. staandehouding een redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit jegens de als verdachte aangemerkte man bestond, is zonder nadere vaststellingen over bijvoorbeeld de precieze inhoud van de aan verbalisanten doorgegeven melding, gedrag van de als verdachte aangemerkte man of inhoud van aanroepingen van verbalisanten, niet z.m. begrijpelijk. Bewezenverklaring van beide feiten, v.zv. deze inhoudt dat sprake was van handelen in rechtmatige uitoefening van bediening, is ontoereikend gemotiveerd.

Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: