Hoge Raad 13 juli 2021

ECLI:NL:HR:2021:1088

Datum: 13-07-2021

Onderwerp(en): Ondervragingsrecht

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Medeplegen woninginbraak, art. 311.1.4 Sr. Afwijzing van ttz. in h.b. gedaan verzoek tot horen van 4 verbalisanten, omdat hof geen reden heeft te twijfelen aan juistheid van processen-verbaal van verbalisanten en geen noodzaak ziet hen te horen. 1. Afwijzing in arrest toereikend gemotiveerd? 2. Gebruik van getuigenverklaring voor bewijs. Schending ondervragingsrecht?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door feitenrechter, in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al (in vooronderzoek of anderszins) verklaring heeft afgelegd met belastende strekking. ’s Hofs oordeel dat noodzaak tot horen van verbalisanten niet is gebleken omdat hof geen reden heeft om te twijfelen aan juistheid van door hen opgemaakte processen-verbaal van herkenning van verdachte, is niet z.m. begrijpelijk, omdat aan verzoek ten grondslag is gelegd dat verdachte door verbalisanten is aangewezen als één van de personen die op camerabeelden te zien zijn als betrokkenen bij woninginbraak, dat verdachte de juistheid van deze verklaringen van verbalisanten betwist en dat verdachte vragen wil stellen aan hen over totstandkoming van herkenningen en over eventueel vooroverleg tussen verbalisanten. Verklaringen van deze verbalisanten zijn door Rb voor bewijs gebruikt en verdachte is niet in de gelegenheid gesteld om ondervragingsrecht uit te oefenen. Daarmee doet zich hier het geval voor waarin belang bij oproepen en horen van getuige moet worden voorondersteld, terwijl de door hof bij afwijzing van verzoek in aanmerking genomen gronden noch hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van verzoek, met zich brengen dat dit belang in deze zaak ontbreekt.

Ad 2. Hof heeft er niet blijk van gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Dat hof mede o.g.v. (beeld)kwaliteit van de op tz. getoonde camerabeelden en videostills de betrouwbaarheid van de door verbalisanten afgelegde verklaringen heeft beoordeeld, leidt niet tot ander resultaat. Zo’n onderzoek naar beschikbaar beeldmateriaal kan op zichzelf van belang zijn voor bieden van compensatie voor de door verdediging ondervonden beperkingen bij onderzoek naar betrouwbaarheid van verklaring van getuige maar kan i.c. niet oordeel dragen dat beslissing om mede o.b.v. verklaringen van niet-ondervraagde getuigen het tlgd. bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Daarbij is van belang dat de door hof bij afwijzing van verzoek in aanmerking genomen gronden ontoereikend zijn voor oordeel dat er goede reden bestond voor het niet bieden van ondervragingsgelegenheid, terwijl de voor bewijs gebruikte verklaringen van niet-ondervraagde getuigen niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, bijvoorbeeld eigen waarneming door hof aan de hand van de tijdens onderzoek ttz. vertoonde camerabeelden en videostills.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/01796.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: