Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2026 Hoge Raad 13 februari 2026 Hoge Raad 13 februari 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2026 Hoge Raad 10 februari 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2023:1556 Hoge Raad 14 november 2023

ECLI:NL:HR:2023:1556

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 14-11-2023

Onderwerp: Rijden onder invloed

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen poging tot afpersing (art. 317.3 jo. 312.2 Sr) van schoenendoos met geld en goederen. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten toebehoren van weg te nemen geld en goederen aan ander dan verdachte en zijn mededaders. 2. Beslissing over voorlopige hechtenis. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs vaststelling dat betreffende schoenendoos met inhoud aan ander (A) toebehoort, is niet onbegrijpelijk. Uit gebruikte bewijsmiddelen volgt immers dat A “voor 100%” verbleef in woning van aangever. Voorts heeft aangever verklaard dat hij A meermaals in de weer heeft gezien met schoenendoos, die hij gebruikte voor verkoop van drugs en dat A tegen hem heeft gezegd dat er niets gestolen was. Daarmee is niet onderling tegenstrijdig de voor bewijs gebruikte verklaring van aangever dat hij mannen in zijn woning hoorde zeggen dat € 10.000 was gestolen. Datzelfde geldt voor de door hof voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte, die inhoudt dat op bewuste avond in woning van aangever werd gesproken over feit dat doos met spullen verdwenen was. Deze in bewijsconstructie betrokken uitlatingen van medeverdachten, waarover aangever en verdachte overeenkomstig hebben verklaard, zijn op zichzelf genomen weliswaar niet redengevend voor bewezenverklaarde “toebehoren aan” maar daarmee niet noodzakelijk onverenigbaar met inhoud van overige b.m. en bewezenverklaarde. Omstandigheid dat medeverdachten die avond uitlatingen van dergelijke strekking hebben gedaan sluit als zodanig niet uit dat A in feite zodanige zeggenschap over schoenendoos uitoefende dat gezegd kan worden dat schoenendoos aan hem “toebehoorde” in de zin van art. 310 en 317 Sr. Voorts kunnen deze onderdelen uit verklaringen van aangever en verdachte moeilijk worden los gezien van rest van het verklaarde over mishandeling van aangever, dat door hof redengevend is geacht voor bewijs van (bedreiging met) geweldpleging a.b.i. art. 312 en 317 Sr. Mede in samenhang bezien met overige b.m., is niet in te zien waarom hof betreffende passages niet redengevend kon achten voor bewezenverklaarde feiten. Bewezenverklaring is dan ook niet onbegrijpelijk en naar eis der wet met redenen omkleed. In die bewijsvoering ligt ook voldoende gemotiveerd besloten verwerping van verweer van verdediging. Ad 2. Verdachte mist om navolgende reden het vereiste belang bij bespreking van deze klacht. Overige middelen (bewijsklachten) slagen niet, terwijl o.g.v. art. 6:2:2.a Sv de door hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op dag van uitspraak van HR. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht (vgl. HR:2012:BW7369 en HR:2021:1662). Volgt verwerping. Samenhang met 22/02971.


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03105

Datum 14 november 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 augustus 2022, nummer 23-002922-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
Het eerste en het tweede cassatiemiddel klagen in de kern dat de bewezenverklaring van feit 1 onder A en B ten aanzien van het toebehoren van het weg te nemen geld en/of goederen aan een ander dan aan de verdachte en zijn mededaders, namelijk aan [betrokkene 1] , niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 10 en 13 tot en met 16.

3Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis.

3.2
De verdachte mist om de navolgende reden het vereiste belang bij een bespreking van deze klacht. De overige voorgestelde cassatiemiddelen slagen niet, terwijl op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. (Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369 en HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1662.)

4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2023.

Spreker(s)

mr. Linda Kesteloo

docent Vrije Universiteit Amsterdam