Hoge Raad 15 december 2020

ECLI:NL:HR:2020:2029

Datum: 15-12-2020

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Ontneming

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Profijtontneming, w.v.v. uit oplichting en witwassen. Verzoek om in rechte toegekende vorderingen b.p.’s in mindering te brengen op schatting w.v.v. afgewezen op de grond dat deze vorderingen nog niet onherroepelijk waren toegekend. Dient HR alsnog te bepalen dat bedragen van (inmiddels onherroepelijk) toegewezen vorderingen b.p. in mindering worden gebracht, nu HR ambtshalve bekend is met zijn nadien gewezen arrest in strafzaak? ’s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Opvatting dat in een geval als i.c., waarin vordering b.p. op moment van wijzen van arrest door hof in ontnemingszaak nog niet onherroepelijk was toegekend, HR bij beoordeling van een tegen dat arrest ingesteld cassatieberoep alsnog moet overgaan tot het in mindering brengen van die vordering indien in de tussentijd toekenning van vordering wel onherroepelijk is geworden, is onjuist, omdat in cassatie wordt beoordeeld of bestreden uitspraak blijk geeft van verzuim van vormen of schending van het recht. Daarnaast staat voor betrokkene procedure van art. 6:6:26.1 Sv open. Daarin kan rechter op verzoek van betrokkene beoordelen of (in het licht van regeling van art. 36e.9 Sr of v.zv. van toepassing art. 36e.8 (oud) Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2017:2496)) grond bestaat voor vermindering van bedrag van onherroepelijk opgelegde ontnemingsmaatregel. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2019:258 (strafzaak).

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: