ECLI:NL:HR:2020:1376
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 15-09-2020
Onderwerp: Medeplegen | drugs in inbouwkast
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Extern
Inhoudsindicatie:
Medeplegen aanwezig hebben heroïne (ongeveer 1.487,4 gram) in plastic tas in inbouwkast in door medeverdachte gebruikte en door verdachte 4 maal bezochte woning, art. 2.C Opiumwet. Bewijsklacht medeplegen. Heeft verdachte heroïne tezamen en in vereniging met ander opzettelijk aanwezig gehad? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit gebezigde b.m. kan niet volgen dat verdachte méér was dan bezoeker, nu b.m. in de kern slechts inhouden dat verdachte in periode van 13-12-2016 tot en met 15-3-2017 4 maal in woning is geweest, terwijl hoofdbewoner van woning de woning in bruikleen had gegeven aan medeverdachte. De 3 keer dat hij in aanwezigheid was van medeverdachte, was het steeds medeverdachte die deur opende. Op 7-1-2017 was hij in aanwezigheid van ander maar b.m. houden niet in dat verdachte toen zelfstandig met sleutel woning heeft betreden. Bovendien houden b.m. in dat op 13-12-2016 is gezien dat medeverdachte met 3 anderen woning is binnengegaan. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat verdachte ‘feitelijk gebruiker’ van woning was, zodat aangetroffen heroïne op 15-3-2017 zich in zijn machtssfeer bevond en hij wetenschap moet hebben gehad van aangetroffen heroïne, mede gelet op wat door verdachte is aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd, in aanmerking genomen dat heroïne is aangetroffen in woonkamer van die woning in plastic zak die in inbouwkast lag. Hoewel gebezigde b.m. inhouden dat deur van deze inbouwkast openstond, geldt dat ook daar niet uit kan volgen dat heroïne zichtbaar in kast lag, nu b.m. inhouden dat heroïne is aangetroffen in plastic tas. Hieraan doet niet af dat in deze inbouwkast tevens een pers is aangetroffen die gebruikt wordt voor verpakken van verdovende middelen. Voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking blijkt evenmin uit gebezigde b.m. Ook indien verdachte wel op de hoogte zou zijn geweest van aanwezigheid van tas met heroïne in inbouwkast, valt niet in te zien o.g.v. welke vaststellingen kan worden geoordeeld dat verdachte bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om die enkele wetenschap en zich niet distantiëren van deze heroïne te kwalificeren als medeplegen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/05561
Datum 15 september 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 december 2018, nummer 22/001417-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat, mede in het licht van een gevoerd verweer, de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd voor zover inhoudende dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde heroïne “tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad”.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 tot en met 3.7.
3Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2020.