ECLI:NL:HR:2020:1051

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 16-06-2020

Uitspraak naam: Overzichtsarrest

Onderwerp: Zwaar lichamelijk letsel

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Economische zaak. Incident bij Makkinga waar bij het schoonmaken van een mestsilo 3 personen zijn overleden en 1 persoon zwaargewond is geraakt. Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidsomstandhedenbesluit. Middelen over causaal verband tussen de verzuimen en het te verwachten levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers en dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was. HR: art. 81.1 RO. Samenhang tussen 18/03306 (verdachte BV) en 18/03307 (feitelijk leidinggever).


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03306 E

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, van 20 juni 2018, nummer 21/001637-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde geldboete in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 100.000,-.

4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 97.500,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.