ECLI:NL:HR:2019:1965
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 17-12-2019
Onderwerp: Diverse zeden | ontucht door huisarts
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Extern
Inhoudsindicatie:
Poging ontucht met misbruik van gezag/vertrouwen, art. 249 Sr. Slachtoffer is als patiënt naar de huisartsenpraktijk van verdachte gegaan voor medische behandeling. Bij die behandeling wilde slachtoffer tevens een lipvergroting laten uitvoeren door verdachte, waarbij zij toezeggingen heeft gemaakt dat verdachte met haar mocht doen wat hij wilde in ruil voor de lipbehandeling. Verdachte heeft tijdens dat bezoek geprobeerd om met naar beneden getrokken broek en onderbroek op slachtoffer te gaan liggen. Bevond slachtoffer zich (nog) in afhankelijkheidsrelatie t.o.v. verdachte als arts en was nog sprake van voor ontucht vereiste wederrechtelijkheid? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/02978
Datum 17 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 juli 2018, nummer 22/004450-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G. Spong, advocaat te Amsterdam, en C.W. Noorduyn, advocaat te ’s-Gravenhage, ieder bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman G. Spong heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019.