Hoge Raad 17 december 2019

ECLI:NL:HR:2019:1984

Datum: 17-12-2019

Onderwerp(en): Vormverzuim en alcohol in verkeer

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Geen medewerking verleend aan bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Kan verdachte die bloedonderzoek weigert, zich met vrucht beroepen op de omstandigheid dat procedure rondom bloedonderzoek niet juist is nageleefd? Art. 359a Sv. Verdachte is, nadat hij door een eenzijdig ongeluk buiten bewustzijn is geweest waardoor een ademonderzoek aanvankelijk niet mogelijk was, op het politiebureau niet alsnog verzocht mee te werken aan een ademonderzoek, maar bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek. I.c. gaat het niet om aan het onderzoek gestelde eisen, zodat zich niet het geval voor doet dat als bestanddeel in de tll. is opgenomen het resultaat van een ‘onderzoek’ a.b.i. art. 163.4, eerste volzin WVW 1994. De rechtspraak van de HR over de vraag of – i.v.m. de waarborgen waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd – bewezenverklaard kan worden dat een dergelijk ‘onderzoek’ heeft plaatsgevonden, is hier dan ook niet aan de orde. Hof heeft geoordeeld dat opsporingsambtenaren art. 163.4 eerste volzin WVW 1994 niet hebben nageleefd door verdachte niet alsnog te bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. De enkele omstandigheid dat mogelijk aan verdachte eerst een bevel tot medewerking aan een ademonderzoek had moeten worden gegeven, doet evenwel niet af aan de bevoegdheid van de (hulp) OvJ of een andere - daartoe aangewezen - ambtenaar van politie de verdachte te bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, e.e.a. a.b.i. art. 163.5 WVW 1994. Voor het handelen i.s.m. art. 163.4 eerste volzin WVW 1994 vormt art. 359a Sv het toetsingskader. Voor het bepalen van de mogelijke rechtsgevolgen van het nalaten eerst een bevel tot medewerking aan een ademonderzoek te geven, is het volgende van belang. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de wet tot invoering van de ademanalyse is i.h.b. beoogd de politie een instrument in handen te geven voor een slagvaardiger en effectiever bestrijding van rijden onder invloed; daarmee is niet zozeer bedoeld een voor verdachte gunstiger voorziening te scheppen. Aan het handelen i.s.m. art. 163.4 eerste volzin WVW 1994 heeft Hof klaarblijkelijk geen andere gevolgen verbonden dan de constatering daarvan. Dat oordeel geeft, mede gelet op de in art. 359a.2 Sv bedoelde factoren, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet heeft aangevoerd welk nadeel door dit verzuim is veroorzaakt. Volgt verwerping. CAG: anders.

Spreker(s)

mr.-Gerlof-Meijer.jpg
mr. Gerlof Meijer

senior rechter Rechtbank Overijssel, auteur, docent en theatermaker

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: