Moord te Kaatskeuvel in 2010. ‘Mr.Big’-methode. Stelselmatige undercover inwinning van informatie, art. 126j Sv. HR wijdt algemene beschouwingen aan undercover stelselmatig informatie inwinnen bij verdachte. Verklaringen verdachte afgelegd i.s.m. verklaringsvrijheid ex art. 29.1 Sv en art. 6.1 EVRM? I.c. hebben opsporingsambtenaren verdachte betrokken bij hun fictieve al dan niet legale beveiligingsbedrijf om zo een vertrouwensband met hem op te bouwen. Voorwaarde voor in dienst komen was dat verdachte openheid van zaken zou geven omtrent verdenking inzake zijn betrokkenheid bij de dood van zijn vrouw. Verdachte heeft ruim een jaar later in gesprekken met informanten bekend haar te hebben vermoord. HR stelt voorop dat geen algemeen en eenduidig juridisch antwoord kan worden gegeven op vraag of ‘Mr. Big’ als opsporingsmethode wel of niet toelaatbaar is. HR oordeelt over specifiek optreden van politieambtenaren in deze zaak en over vraag of gebruik van verklaringen van verdachte voor bewijs in overeenstemming is met het recht. Bij deze beoordeling gaat het m.n. om de vraag of verklaringsvrijheid van verdachte is geschonden. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN9195 m.b.t toelaatbaarheid stelselmatig undercover inwinnen van informatie door opsporingsambtenaar in omgeving van verdachte terwijl deze voorlopig gehecht is. Deze overwegingen zijn tevens van belang in gevallen als i.c., die hierdoor worden gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem i.h.k.v. die organisatie voordelen in vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij bepaald strafbaar feit. Ook bij de uitvoering van zo een operatie bestaat immers het gevaar dat verdachte feitelijk in verhoorsituatie terechtkomt waarbij waarborgen van een formeel verhoor door politiefunctionaris ontbreken en verklaringen worden verkregen die i.s.m. verklaringsvrijheid van verdachte zijn afgelegd. Ook in deze gevallen moet daarom worden beoordeeld of i.h.k.v. zo een operatie door verdachte afgelegde verklaring niet is verkregen i.s.m. zijn verklaringsvrijheid. Voor die beoordeling of verklaringsvrijheid is aangetast, is i.h.b. van belang het verloop van het opsporingstraject, de eventueel reeds door verdachte ingenomen proceshouding m.b.t. strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, mate van (psychische) druk die in dat traject op verdachte is uitgeoefend, mate en wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van verdachte en de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met inhoud van (wezenlijke onderdelen van) door verdachte afgelegde verklaring. Bij deze beoordeling is voorts van belang duur en intensiteit van dat traject, strekking en frequentie van contacten met verdachte zelf en in het vooruitzicht gestelde consequenties als verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken. Bij deze beoordeling dient de rechter, naast het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens verdachte, tevens acht te slaan op de wettelijke grondslag waarop het optreden van opsporingsambtenaren heeft plaatsgevonden, en in het geval dat optreden is gebaseerd op bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie a.b.i. art. 126j Sv, i.h.b. op inhoud van dat bevel waar het gaat om wijze waarop aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, alsmede de eventueel nader aan dat bevel verbonden voorwaarden die verband houden met het verkrijgen van verklaring van verdachte. Teneinde rechter in staat te stellen e.e.a. te kunnen beoordelen, is van groot belang dat hij inzicht heeft in concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en interactie met verdachte die daarbij heeft plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is een voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van de wettelijke eisen m.b.t. inhoud van bevel waarop optreden van opsporingsambtenaren berust alsook in art. 152 Sv bedoelde verplichting van opsporingsambtenaar tot het opmaken van p-v en in art. 126aa Sv en art. 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging dient inzicht te geven in verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over gehele periode waarin deze is ingezet, en i.h.b. voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met verdachte te omvatten. Naast verslaglegging d.m.v. verbalisering ligt in de rede dat, v.zv. dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd. Voor die registratie is een bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie ex art. 126l Sv vereist. Indien de rechter oordeelt dat binnen het opsporingstraject verklaringen van verdachte i.s.m. zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts bewijsuitsluiting. Indien rechter voor het bewijs wel gebruikmaakt van die verklaringen, moet hij motiveren waarom dit toelaatbaar is en dient hij voorts ervan blijk te geven – o.g.v. concrete omstandigheden van het geval – zelfstandig betrouwbaarheid van de verklaringen te hebben onderzocht. De rechter toetst dan ook voor het overige de rechtmatigheid van de wijze van opsporing jegens verdachte, o.m. m.b.t. vraag of het optreden door opsporingsambtenaren in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. I.c. is ‘s Hofs oordeel dat verklaringsvrijheid van verdachte is gerespecteerd, niet toereikend gemotiveerd. HR neemt daarbij o.m. in aanmerking dat verdachte door informanten in de uitvoering van de opsporingsmethode een voorwaarde werd gesteld die er feitelijk toe strekte dat hij een bekennende verklaring zou afleggen. Blijkens ‘s Hofs vaststellingen heeft verdachte eerst na dit aanbod tegenover informanten zijn betrokkenheid bij de doodslag/moord bekend, en zijn de informanten vragen aan verdachte blijven stellen over zijn betrokkenheid zonder zich daarbij bekend te maken als opsporingsambtenaren. ’s Hofs kennelijke oordeel dat ondanks dit samenstel van omstandigheden - dat erop neerkomt dat verdachte feitelijk in een verhoorsituatie is komen te verkeren waarbij opsporingsambtenaren bemoeienis hebben gehad met inhoud van wezenlijke onderdelen van door verdachte afgelegde verklaring – verklaringsvrijheid van verdachte niet ontoelaatbaar is aangetast, is niet toereikend gemotiveerd. Voorts heeft Hof geen blijk ervan gegeven te hebben onderzocht of inhoud van p-v’s toereikend inzicht geeft in verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over gehele periode waarin deze is ingezet en de communicatie met verdachte binnen die periode, en daarmee samenhangend of ook gronden bestonden voor auditief of audiovisueel vastleggen van deze communicatie met verdachte, en zo ja, of die vastlegging heeft plaatsgevonden en welke betekenis die heeft voor beoordeling van juistheid en volledigheid van p-v’s inzake de langdurige opsporingsoperatie. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

Spreker(s)

mr.-Gerlof-Meijer.jpg
mr. Gerlof Meijer

senior rechter Rechtbank Overijssel, auteur, docent en theatermaker

Bekijk profiel
mr.-Bas-Martens.jpg
mr. Bas Martens

advocaat Delissen Martens Advocaten

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: