Hoge Raad 17 november 2020

ECLI:NL:HR:2020:1803

Datum: 17-11-2020

Onderwerp(en): Ondertekening p-v zitting

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. P-v tz. in h.b. is bij ontstentenis van voorzitter van enkelvoudige kamer hof door griffier hof vastgesteld en ondertekend en door afdelingsvoorzitter hof “voor gezien” ondertekend. Art. 327 Sv. Nietigheid onderzoek ttz. en uitspraak? P-v tz. in h.b. is niet door rechter die over zaak heeft geoordeeld vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv. Aan dat verzuim doet niet af dat dit p-v wel is vastgesteld en ondertekend door griffier. O.g.v. tweede volzin van art. 327 Sv kan vaststelling en ondertekening van p-v door rechter die over zaak heeft geoordeeld, immers niet worden gemist. Enkele onderaan p-v vermelde grond dat sprake is van “ontstentenis van voorzitter” (hetgeen kennelijk aanleiding heeft gegeven voor het “voor gezien” ondertekenen door afdelingsvoorzitter) vormt niet zodanig bijzondere omstandigheid dat aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van onderzoek ttz. en naar aanleiding daarvan gegeven einduitspraak achterwege kan blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG (anders): klacht m.b.t. ondertekening p-v mist feitelijke grondslag aangezien p-v is ondertekend door griffier en afdelingsvoorzitter, wel cassatie op andere gronden (laatste woord en aanwezigheidsrecht).

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: