Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2026 Hoge Raad 13 februari 2026 Hoge Raad 13 februari 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2026 Hoge Raad 10 februari 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2023:1307 Hoge Raad 17 oktober 2023

ECLI:NL:HR:2023:1307

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 17-10-2023

Onderwerp: (on)redelijke vervolging

Overige onderwerpen: Vervolging t.z.v. rijden onder invloed

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. rijden onder invloed van cannabis, art. 8.1 WVW 1994. 1. Is gehandeld in strijd met de in brief van ministers weergegeven werkwijze? 2. Is sprake van “ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing”? Ad 1. Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van personenauto is aangehouden n.a.v. melding in ANPR-systeem en dat van haar werd gevorderd medewerking te verlenen aan speekseltest. Resultaat van deze test gaf indicatie voor cannabisgebruik. Bij haar aanhouding heeft verdachte verklaard dat zij al 10 jaar ongeveer 3 joints per dag rookt i.v.m. haar reuma. Hof heeft verder vastgesteld dat daarbij aan verdachte niet de gelegenheid is geboden om geldig doktersrecept in te sturen en dat zij ook niet op die mogelijkheid is gewezen. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat in strijd is gehandeld met de door hof als “handhavingspraktijk” aangeduide werkwijze zoals beschreven in brief van ministers, dat hierdoor onherstelbaar is tekortgedaan aan procedurele rechten van verdachte en dat dit in de gegeven omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid van OM in vervolging moet leiden. Nu uit enkele verklaring van verdachte t.t.v. haar aanhouding dat zij “joints (...) rookt i.v.m. haar reuma” niet kan worden afgeleid dat zij “op medisch voorschrift” een “geneesmiddel” gebruikte zoals bedoeld in brief, is ’s hofs oordeel dat in strijd is gehandeld met daar weergegeven werkwijze niet begrijpelijk. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG, slaagt klacht. CAG: Dat sprake is van uitlatingen die bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet verder zal worden vervolgd, heeft hof niet vastgesteld. Dat sprake is van geval waarin geen redelijk handelend lid van OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, volgt evenmin uit ’s hofs overwegingen. Ook als er vanuit wordt gegaan dat ten onrechte aan verdachte niet gelegenheid is geboden doktersrecept te overleggen, zijn gevolgen daarvan niet zodanig zijn dat zij beslissing van OM om tot vervolging over te gaan apert onevenredig kunnen maken. Voorts maakt omstandigheid “dat verdachte zich voor haar mobiliteit en daarmee haar persoonlijke leven zeer ingrijpende beperkingen en andere gevolgen heeft moeten laten welgevallen” vervolgingsbeslissing niet onjuist. Gelet hierop is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk waarom sprake zou zijn van “ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing”. Volgt vernietiging en terugwijzing.


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/05229

Datum 17 oktober 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 december 2021, nummer 22-001997-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte, B.E.J. Torny, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

2.2

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“zij, op of omstreeks 7 januari 2019 te Rotterdam-Albrandswaard, gemeente Albrandswaard, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,0 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”

2.3

Het hof heeft over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging het volgende overwogen en beslist:
“De verdediging heeft overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in strijd met dwingend handhavingsbeleid een vervolging heeft ingesteld. Zo was sprake van medicinaal gebruik van cannabis door de verdachte (op doktersvoorschrift) en viel er niets aan te merken op haar rijgedrag.

Het hof overweegt als volgt.

In de brief van Ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 11 december 2018 is de handhavingspraktijk uiteengezet met betrekking tot bestuurders van voertuigen die geneesmiddelen op medisch voorschrift gebruiken en waarbij de concentratie in het bloed boven de gestelde grenswaarde uitkomt. Uitgangspunt is dat bestuurders die op medisch voorschrift en onder behandeling van een arts geneesmiddelen gebruiken en voldoen aan de geschiktheidseisen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, moeten kunnen deelnemen aan het verkeer zonder daarbij strafbaar te zijn.

Volgens de brief wordt in de praktijk hier als volgt mee omgegaan. De politie neemt in beginsel alleen een speeksel- of psychomotorische test af als een bestuurder verkeersonveilig gedrag of uiterlijke kenmerken vertoont die kunnen wijzen op drugsgebruik. Als bij een bestuurder die op medisch voorschrift geneesmiddelen gebruikt een test wordt afgenomen waarvan het resultaat positief is, kan de bestuurder bij de politie aangeven, indien het geneesmiddel een stof bevat waarvoor een grenswaarde is vastgesteld, dat hij geneesmiddelen gebruikt. De politieagent zal dit in het proces-verbaal noteren. Aan bestuurders die geen afwijkend rijgedrag vertoonden en alleen een dergelijk geneesmiddel hebben gebruikt, wordt door het Openbaar Ministerie de gelegenheid geboden om een geldig doktersrecept in te sturen. Vervolgens wordt aan het Nederlands Forensisch Instituut gevraagd of de aangetroffen concentratie van de stof in het bloed past binnen de therapeutische range van de voorgeschreven dosering en wat de effecten daarvan zijn op de rijvaardigheid. Met inachtneming van deze en alle overige feiten en omstandigheden wordt beoordeeld of de geneesmiddelengebruiker zal worden vervolgd. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bevestigd dat dit beleid in deze strafzaak van toepassing is.

Op grond van het proces-verbaal “rijden onder invloed” d.d. 7 januari 2019 stelt het hof vast dat de verdachte staande is gehouden naar aanleiding van een melding in het ANPR-systeem (signalering van kenteken) en dat vervolgens van haar werd gevorderd medewerking te verlenen aan een speekseltest. Het resultaat van deze speekseltest gaf een indicatie aan voor cannabisgebruik. Bij het verhoor bij haar staande houding, en ook daarna, heeft de verdachte direct verklaard dat zij al 10 jaar ongeveer 3 joints per dag rookt in verband met haar reuma.

Het hof stelt vast dat de verdachte staande is gehouden naar aanleiding van een ANPR-signalering en dat in het proces-verbaal “rijden onder invloed” niet is gerelateerd dat de verdachte enig verkeersonveilig rijgedrag heeft vertoond. – Al dan niet ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat het evenmin geloofwaardig acht dat de verdachte bij haar staande houding uiterlijke kenmerken heeft vertoond die wijzen op THC gebruik. –

Blijkens de hiervoor weergegeven handhavingspraktijk dient aan een bestuurder -zo ook de verdachte- die onder die ontlastende omstandigheden gelijk heeft aangegeven wegens medische redenen cannabis te gebruiken, de gelegenheid te worden geboden om een geldig doktersrecept in te sturen. Die gelegenheid is de verdachte niet geboden. De verdachte is hier ook niet op gewezen.

Dit verwijtbare nalaten heeft een onherstelbaar tekort gedaan aan de procedurele rechten van de verdachte. Dit heeft immers als gevolg dat het onderzoek door het NFI dat de verdachte op grond van dit beleid zou toekomen, niet meer met vrucht kan worden uitgevoerd.

Alles afwegende is het beeld dat uit het dossier en de behandeling ter zitting oprijst dat van een evident onjuiste, immers in strijd met het gepubliceerde beleid genomen en ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing.

Het verwijtbare nalaten van volledige toepassing van de destijds bestaande handhavingspraktijk heeft de verdachte in een nadeliger positie gebracht, nu zij destijds wel, maar door tijdsverloop inmiddels niet meer over de mogelijkheid beschikt om zich van bewijsstukken te voorzien waaruit blijkt dat het cannabisgebruik medisch werd voorgeschreven. Bovendien heeft deze verwijtbare nalatigheid er uiteindelijk ook nog eens toe geleid dat de verdachte zich voor haar mobiliteit en daarmee haar persoonlijke leven zeer ingrijpende beperkingen en andere gevolgen heeft moeten laten welgevallen.

Gelet op het hiervoor overwogene dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard.

Het hof verklaart dan ook het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.”

2.4

De door het hof aangehaalde brief van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat van 11 december 2018 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (hierna: ‘de brief’) houdt onder meer het volgende in:
“Bestuurders die op medisch voorschrift en onder behandeling van een arts geneesmiddelen gebruiken en voldoen aan de geschiktheidseisen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), moeten kunnen deelnemen aan het verkeer zonder daarbij strafbaar te zijn.

Huidige praktijk
(...)
Als bij een bestuurder die op medisch voorschrift geneesmiddelen gebruikt een test wordt afgenomen waarvan het resultaat positief is, kan de bestuurder bij de politie aangeven, indien het geneesmiddel een stof bevat waarvoor een grenswaarde is vastgesteld, dat hij geneesmiddelen gebruikt. De politieagent zal dit in het proces-verbaal noteren. Aan bestuurders die geen afwijkend rijgedrag vertoonden en alleen een dergelijk geneesmiddel hebben gebruikt, wordt door het openbaar ministerie (OM) de gelegenheid geboden om een geldig doktersrecept in te sturen. Vervolgens wordt aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gevraagd of de aangetroffen concentratie van de stof in het bloed past binnen de therapeutische range van de voorgeschreven dosering en wat de effecten daarvan zijn op de rijvaardigheid. Met inachtneming van deze en alle overige feiten en omstandigheden wordt beoordeeld of de geneesmiddelengebruiker zal worden vervolgd.”
(Kamerstukken II 2018/19, 29 398, nr. 644, p. 2)

2.5.1
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte als bestuurder van een personenauto is aangehouden naar aanleiding van een melding in het ANPR-systeem en dat van haar werd gevorderd medewerking te verlenen aan een speekseltest. Het resultaat van deze test gaf een indicatie voor cannabisgebruik. Bij haar aanhouding heeft de verdachte verklaard dat zij al tien jaar ongeveer drie joints per dag rookt in verband met haar reuma. Het hof heeft verder vastgesteld dat daarbij aan de verdachte niet de gelegenheid is geboden om een geldig doktersrecept in te sturen en dat zij ook niet op die mogelijkheid is gewezen. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen (kort gezegd) geoordeeld dat in strijd is gehandeld met de door het hof als “handhavingspraktijk” aangeduide werkwijze zoals beschreven in de onder 2.4 weergegeven brief, dat hierdoor onherstelbaar is tekortgedaan aan de procedurele rechten van de verdachte en dat dit in de gegeven omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging moet leiden.

2.5.2
Nu uit de enkele verklaring van de verdachte ten tijde van haar aanhouding dat zij “joints (...) rookt in verband met haar reuma” niet kan worden afgeleid dat zij “op medisch voorschrift” een “geneesmiddel” gebruikte zoals bedoeld in de hiervoor onder 2.4 weergegeven brief, is het oordeel van het hof dat in strijd is gehandeld met de daar weergegeven werkwijze niet begrijpelijk. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.

2.6
Ook voor zover het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een “ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing”, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 28 tot en met 34.

3Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.

Spreker(s)

mr. Linda Kesteloo

docent Vrije Universiteit Amsterdam