ECLI:NL:HR:2020:1947
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 18-12-2020
Onderwerp: Materieel-verweer
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Extern
Inhoudsindicatie:
Inkomstenbelasting. Art. 2.17 Wet IB 2001. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Navordering ter zake van toegerekende persoonsgebonden aftrek van partner na correctie bij die partner over voorgaand jaar zodat geen nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek resteerde. Verband met ECLI:NL:HR:2020:1948.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05003
Datum 18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 september 2019, nr. BK-18/01095, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/4042) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij belanghebbende terecht bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2015 een bedrag van € 4.320 aan persoonsgebonden aftrek niet in aftrek heeft toegelaten. Dit bedrag betrof het aan belanghebbende toegerekende gedeelte van de op 31 december 2014 nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van de echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot).
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van € 4.320 aan persoonsgebonden aftrek in het jaar 2015 niet voor aftrek in aanmerking komt. Het heeft daartoe overwogen dat het bij zijn uitspraak van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01096 heeft geoordeeld dat de Inspecteur bij de echtgenoot terecht een inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen en dat de door de echtgenoot nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2014 terecht is vastgesteld op nihil. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat er dus geen mogelijkheid is om in 2015 nog een deel van de persoonsgebonden aftrek te verrekenen met het inkomen van belanghebbende.
2.3
De klachten, die opkomen tegen de hiervoor in 2.2 bedoelde oordelen van het Hof, slagen. Bij arrest van vandaag, ECLI:NL:HR:2020:1948, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01096 vernietigd en die zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Daarmee is aan de oordelen van het Hof de grond komen te ontvallen.
2.4
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 19/05004 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.050, derhalve € 525, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.