Hoge Raad 18 februari 1997

ECLI:NL:HR:1997:ZD0643

Datum: 18-02-1997

Onderwerp(en): Sepotmededeling en vertrouwensbeginsel

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

(Medeplegen) telen hennep (meermalen gepleegd), art. 3.B Opiumwet. 1. OM n-o in vervolging, nu verdachte o.g.v. mededeling van OvJ aan secretaresse van raadsman van verdachte in gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij niet zou worden vervolgd? 2. OM n-o in vervolging, nu inbeslaggenomen hennepplanten zijn vernietigd ondanks verzoek om tegenonderzoek, zodat niet kan worden aangetoond dat deze bestemd waren voor zaadwinning?

Ad 1. Hof heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat door OvJ telefonisch aan secretaresse van raadsman doorgegeven toezegging omtrent niet-vervolging niet kan gelden als aan verdachte gedane toezegging, heeft het blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting. Indien Hof dit niet heeft miskend, is verwerping van verweer ontoereikend gemotiveerd. Hof had n.a.v. gevoerd verweer, ter staving daarvan overgelegde stukken en reactie van OvJ (waarin stelling dat beslissing tot niet-vervolging aan verdediging ter kennis is gebracht op zichzelf niet is weersproken) ervan moeten blijk geven te hebben onderzocht a) of vanwege OM beslissing omtrent niet-vervolging inderdaad telefonisch aan secretaresse van raadsman is doorgegeven en b) of overgelegde telefoonnotitie juiste en volledige weergave bevat van hetgeen door OvJ aan secretaresse is meegedeeld. Bij ontkennende beantwoording van onder b vermelde vraag, had Hof dienen na te gaan of onjuiste of onvolledige weergave van desbetreffende mededeling aan OM moet worden toegerekend dan wel voor rekening dient te komen van verdachte.

Ad 2. 's Hofs oordeel dat verdachte weliswaar in zijn verdediging is geschaad maar dat deze schending niet van zodanig gewicht is dat sanctie van niet-ontvankelijkheid van OM dient te volgen, is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. Hof heeft verweer, v.zv. inhoudende dat door handelwijze van OvJ verdachte mogelijkheid is onthouden resultaten van eerder gehouden onderzoek aan te vechten, toereikend gemotiveerd verworpen. Hof is evenwel voorbijgegaan aan verweer, inhoudende dat verdachte door deze handelwijze enige mogelijkheid is onthouden om d.m.v. ruimere monstername aan te tonen dat meeste planten inderdaad beduidend meer zaad hebben en aldus aannemelijk te maken dat door hem geteelde hennep kennelijk bestemd is tot winning van zaad a.b.i. art. 4 Besluit (Stb. 1976, Stb. 509).

Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders t.a.v. vernietiging hennepplanten.

AvdR-TV (1)