Hoge Raad 18 februari 2020

ECLI:NL:HR:2020:123

Datum: 18-02-2020

Onderwerp(en): Smartphone

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Medeplegen invoer 2,8 kilo cocaïne via Schiphol, art. 2.A Opiumwet. Smartphone zaak. Bewijsuitsluiting resultaten van onrechtmatig verricht onderzoek aan smartphones van verdachte? Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat sprake is van onherstelbaar vormverzuim in voorbereidend onderzoek a.b.i. art. 359a Sv. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdediging niet heeft geconcretiseerd dat verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden. Daarnaast heeft Hof geoordeeld dat opsporingsambtenaren die onderzoek hebben uitgevoerd te goeder trouw hebben gehandeld, dat verwijtbaarheid van hun handelen gering is, dat geen sprake is van situatie waarin verantwoordelijke autoriteiten zich vanaf moment waarop dit “structurele verzuim” hun bekend moet zijn geweest onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van desbetreffende voorschrift te voorkomen en dat door OvJ, indien deze daartoe zou zijn aangezocht, toestemming zou zijn verleend smartphones van verdachte te onderwerpen aan onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden. Hof heeft daaraan conclusie verbonden dat kan worden volstaan met constatering van vormverzuim, nu “zich geen geval voordoet waarin toepassing van bewijsuitsluiting in aanmerking komt a.b.i. ECLI:NL:HR:2013:BY5321, terwijl evenmin sprake is van door vormverzuim veroorzaakt nadeel dat zich leent voor compensatie d.m.v. strafvermindering a.b.i. ECLI:NL:HR:2004:AM2533.” HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY5321 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. aan vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv te verbinden rechtsgevolg en gevallen waarin bewijsuitsluiting dient te worden toegepast. ’s Hofs op dit beoordelingskader gebaseerd oordeel dat aan door Hof tot uitgangspunt genomen vormverzuim geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, is niet onbegrijpelijk. Enkele omstandigheid dat “meer dan beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van verdachte is gemaakt” betekent immers nog niet dat “bewijsuitsluiting noodzakelijk [is] als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen”. Dat oordeel is voorts - in het licht van ’s Hofs vaststellingen - toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:588.

Spreker(s)

mr.-Gerlof-Meijer.jpg
mr. Gerlof Meijer

senior rechter Rechtbank Overijssel, auteur, docent en theatermaker

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: