Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2022:1468 Hoge Raad 18 oktober 2022

ECLI:NL:HR:2022:1468

Datum: 18-10-2022

Onderwerp: (Groeps )belediging en bedreiging

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl



OM-cassatie. Vrijspraak verdachte (niet aangemerkt als politica) t.z.v. groepsbelediging door in toespraak tijdens demonstratie van PEGIDA in 2015 in Utrecht de woorden “een andere reden om Moslims te verachten en te haten is/om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit een religie van vrede” uit te spreken en schriftelijke uitwerking van speech op Facebook te plaatsen, art. 137c.1 Sr en art. 10 EVRM. Is sprake is van beledigende uitlating in de zin van art. 137c.1 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1036 m.b.t. beledigend karakter van uitlating, belediging van groep mensen wegens hun ras, beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting, vraag of uitlating strafbaar is wegens groepsbelediging ex art. 137c Sr en situatie waarin het gaat om uitlating door politicus i.h.k.v. publiek debat. Dat uit dit beoordelingskader volgt dat politicus enerzijds zaken van algemeen belang aan de orde moet kunnen stellen, ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds juist ook als politicus de verantwoordelijkheid draagt te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met wet en grondbeginselen van democratische rechtsstaat, brengt niet mee dat deelnemers aan publiek debat die geen politicus zijn het aan art. 10 EVRM ontleende recht kan worden ontzegd om binnen hiervoor aangeduide grenzen over zaken van algemeen belang mening te uiten die door anderen als kwetsend, choquerend of verontrustend kan worden ervaren. Gelet op de door hof vastgestelde feitelijke context, waarin zijn begrepen omstandigheden dat in tll. opgenomen uitlating is gedaan tijdens een door protestbeweging gehouden demonstratie en is ingebed in betoog waarin verdachte op meer inhoudelijke gronden haar opvattingen weergeeft, is ‘s hofs oordeel dat deze uitlating weliswaar beledigend is maar dat deze niet als onnodig grievend en dus evenmin als beledigend in de zin van art. 137c.1 Sr kan worden aangemerkt, niet onbegrijpelijk. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet omstandigheid dat uitlating door betrokkenen als kwetsend kan worden ervaren, hieraan niet af. Ook kan daaraan niet afdoen dat verdachte tijdens toespraak nog andere uitlatingen heeft gedaan dan in ttl. weergegeven uitlating. In de eerste plaats is van belang dat OM ervoor heeft gekozen deze andere uitlatingen niet in tll. op te nemen. Verder was hof niet verplicht tot nadere motivering van gegeven vrijspraak op dit punt, nu uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat OM daar geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren heeft gebracht over die andere uitlatingen en over betekenis daarvan voor context waarin de in tll. opgenomen uitlating is gedaan. Nieuwe feitelijke stellingen hierover kunnen niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
Volgt verwerping. CAG: anders. Vervolg op HR:2019:1702.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

mr. Rob ter Haar

plaatsvervangend rechter Rechtbank Overijssel docent Universiteit Utrecht