Hoge Raad 2 februari 2021

ECLI:NL:HR:2021:156

Datum: 02-02-2021

Onderwerp(en): Witwassen

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Witwassen van geldbedragen van in totaal € 212.790, die verdachte heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, art. 420bis.1.b Sr. Zijn geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2352 m.b.t. bewijs van bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Hof heeft geoordeeld dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over herkomst van geldbedragen heeft gegeven. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat verdachte, ondanks door hem gedane toezeggingen, betreffende bankafschriften en kwitanties niet heeft overgelegd en niet heeft verzocht kwitanties aan dossier toe te voegen. Aldus heeft hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu die omstandigheden niet afdoen aan de door verdachte gegeven verklaring omtrent verkoop van motoren door A, waarna verdachte aflossingen van A zou hebben ontvangen, en inkomsten uit erfenis alsmede mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Dat wordt niet anders doordat bewaartermijnen van bank “mogelijk” zijn verstreken. Mede gelet op hetgeen hof in zijn overwegingen overigens heeft vastgesteld, is bewezenverklaring v.zv. inhoudend dat geldbedrag “afkomstig was uit enig misdrijf”, niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat ambtshalve in op vraag naar ontvankelijkheid van cassatieberoep i.v.m. ontbreken van schriftelijke bijzondere volmacht van advocaat aan griffiemedewerker. Samenhang met 19/02879 P.

Spreker(s)

mr-v2.-ROUNDEL.jpg
mr. dr. Wouter de Zanger

advocaat Franken | vanKampen | Groenhuijsen Advocaten

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: