ECLI:NL:HR:2025:1224
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 02-09-2025
Onderwerp: Noodweerexces
Overige onderwerpen: ECLI:NL:HR:2025:1224
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Mishandeling door bij ruzie in café een ander met scherp voorwerp in zijn gezicht te slaan, art. 300.1 Sr. Noodweer, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond, omdat niet is gebleken dat aangever, nadat hij verdachte had geslagen en nog voordat verdachte terugsloeg, bleef slaan of dat er aanwijzingen waren dat aangever nogmaals zou slaan? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Als hof met zijn overweging dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot bestond, tot uitdrukking heeft willen brengen dat aanranding reeds was geëindigd, zodat beroep op noodweer niet meer mogelijk was, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Uit ‘s hofs feitelijke vaststellingen volgt immers dat behoorlijk dronken aangever de verdachte al herhaaldelijk had lastiggevallen en zowel de eerste was die duwde als de eerste die klap gaf, terwijl verdachte heeft verklaard dat kroeg vol was, hij geen kant op kon en hij aannam dat als iemand slaat wanneer je hem (terug)duwt, het niet laatste keer is dat diegene slaat. Daarbij komt dat uit een voor bewijs gebruikte verklaring van getuige volgt dat er onderling werd geslagen en geduwd en aangever en verdachte uit elkaar werden gehaald. Hof heeft zo bezien te beperkte uitleg gegeven aan begrip ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij oordeel dat niet is gebleken dat aangever bleef slaan of dat er aanwijzingen waren dat aangever nogmaals zou slaan (ook in het licht van wat is aangevoerd), niet begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Het zou ook kunnen dat hof met zijn overweging dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond, heeft bedoeld te zeggen dat niet is voldaan aan subsidiariteitseis, waarbij doorgaans ook die bewoordingen worden gebruikt. Van ontbrekende noodzaak tot verdediging is in dat kader bijvoorbeeld sprake als verdachte zich aan situatie had kunnen en moeten onttrekken. Meer in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat verdediging niet noodzakelijk is wanneer er als alternatief voor verdediging zinvolle mogelijkheden bestonden waarvan gebruik bovendien redelijkerwijs mocht worden gevergd. Hoe hof dat dan precies heeft gezien, is echter niet duidelijk. Zowel verdachte als raadsman heeft naar voren gebracht dat kroeg vol was en verdachte geen kant op kon. Hof heeft daarover geen vaststellingen gedaan en heeft dus ook niet toegelicht hoe verdachte zich onder die omstandigheden had moeten onttrekken. Evenmin heeft hof geëxpliciteerd welke andere alternatieven voor verdediging voor verdachte aanwezig waren. Dat, zoals hof wel heeft overwogen, niet is gebleken dat aangever doorging met slaan of dat er aanwijzingen waren dat hij nogmaals zou slaan, is daarvoor in ieder geval niet toereikend. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00865
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 februari 2023, nummer 20-000796-21, in de strafzaak
tegen
[vedachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A. Darrazi bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing daarvan naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.