Hoge Raad 21 april 2020

ECLI:NL:HR:2020:570

Datum: 21-04-2020

Onderwerp(en): Bewustheid/voorhanden hebben, Uitblijven aannemelijke verklaring

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Witwassen door ruim € 923.000 en sieraden, aangetroffen in verborgen ruimte aan onderkant van zijn auto, voorhanden te hebben, art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklacht. Heeft verdachte voorwerpen voorhanden gehad? Voor het (als pleger) ‘voorhanden hebben’ van voorwerp in de zin van artikel 420bis.1 Sr is vereist dat verdachte voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen precieze omvang van geldbedrag) of tot exacte locatie daarvan. Voor bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat onder omstandigheden zoals vastgesteld in ’s hofs bewijsvoering van verdachte redelijke verklaring mag worden gevergd voor aantreffen van geld en voorwerpen in zijn auto, en dat in dat verband door verdachte geschetst scenario (iemand anders heeft zonder dat verdachte daarmee bekend was auto uitgerust met bergplaats waarin zich ruim € 900.000 en enkele waardevolle voorwerpen bevonden) niet geloofwaardig is. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor is vooropgesteld, is ‘s hofs oordeel dat verdachte wist of moet hebben geweten van wat er zich in zijn auto bevond, in welk oordeel besloten ligt dat het niet anders kan dan dat verdachte deze voorwerpen bewust aanwezig en derhalve voorhanden heeft gehad, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.

Spreker(s)

mr.-Gerlof-Meijer.jpg
mr. Gerlof Meijer

senior rechter Rechtbank Overijssel, auteur, docent en theatermaker

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: