Hoge Raad 21 april 2020

ECLI:NL:HR:2020:761

Datum: 21-04-2020

Onderwerp(en): Hoger Beroep

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. snelheidsovertreding (art. 21.a RVV 1990). Aan appelakte gehechte brief van moeder van verdachte (zonder volmacht van verdachte) aan te merken als appelschriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410.1 Sv? Ex art. 452 lid 1 Sv is op indiening van schrifturen art. 450 Sv van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat schriftuur houdende grieven ook namens verdachte kan worden ingediend door vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk door verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Hof heeft toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv en heeft daaraan klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat geen sprake is van 'grieven' a.b.i. art. 416 Sv. Hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat brief van moeder niet kan worden aangemerkt als schriftuur houdende grieven van verdachte a.b.i. art. 410.1 Sv en art. 416.2 Sv. Een en ander getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat noch brief noch enig ander tot strafdossier behorend stuk iets inhoudt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat moeder persoonlijk door verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd schriftuur houdende grieven namens hem in te dienen. Volgt verwerping.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: